1 Kings 3:11
“En God430 zeide559 8799 tot413 hem: Daarom3282 dat834 gij deze2088 zaak1697 begeerd hebt,7592 8804 en niet3808 begeerd hebt,7592 8804 voor u vele7227 dagen,3117 noch3808 voor u begeerd hebt7592 8804 rijkdom,6239 noch3808 begeerd hebt7592 8804 de ziel5315 uwer vijanden;341 8802 maar hebt begeerd7592 8804 verstand995 8687 voor u, om gerichtszaken4941 te horen;8085 8800”
1 Kings 3:11 — Statenvertaling (1637)
Verse 11 of 28 in 1 Kings chapter 3 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
1 Kings 3 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En Salomo8010 verzwagerde zich2859 8691 met ,6547 den koning4428 van ;4714 en nam3947 8799 de dochter1323 van ,6547 en bracht935 8686 ze in413 de stad5892 Davids1732 totdat5704 hij voleind zou hebben3615 8763 het bouwen1129 8800 van zijn huis1004 en het huis1004 des HEEREN,3068 en den muur2346 van Jeruzalem3389 rondom.5439 Alleenlijk7535 offerde2076 8764 het volk5971 op de hoogten,1116 want3588 geen3808 huis1004 was den Naam8034 des HEEREN3068 gebouwd,1129 8738 tot5704 die1992 dagen3117 toe. En Salomo8010 had157 den HEERE3068 lief,157 8799 wandelende3212 8800 in de inzettingen2708 van zijn vader1 ;1732 alleenlijk7535 offerde2076 8764 hij1931 en rookte6999 8688 op de hoogten.1116 En de koning4428 ging3212 8799 naar ,1391 om aldaar8033 te offeren,2076 8800 omdat3588 die1931 hoogte1116 groot1419 was; duizend505 brandofferen5930 offerde5927 8686 Salomo8010 op5921 dat1931 altaar.4196 Te 1391 verscheen7200 8738 de HEERE3068 aan413 Salomo8010 in een droom2472 des nachts3915 en God430 zeide:559 8799 Begeer7592 8798 wat4100 Ik u geven zal.5414 8799 En Salomo8010 zeide:559 8799 Gij859 hebt aan5973 Uw knecht5650 ,1732 mijn vader,1 grote1419 weldadigheid2617 gedaan,6213 8804 gelijk als834 hij voor Uw aangezicht6440 gewandeld heeft,1980 8804 in waarheid,571 en in gerechtigheid,6666 en in oprechtheid3483 des harten3824 met5973 U; en hebt hem deze2088 grote1419 weldadigheid2617 gehouden,8104 8799 dat hem gegeven hebt5414 8799 een zoon,1121 zittende3427 8802 op5921 zijn troon,3678 als te dezen2088 dage.3117 Nu ,6258 HEERE,3068 mijn God!430 Gij859 hebt Uw knecht5650 koning gemaakt4427 8689 in de plaats8478 van mijn vader1 ;1732 en ik595 ben een klein6996 jongeling,5288 ik weet3045 8799 niet3808 uit te gaan3318 8800 noch in te gaan.935 8800 En Uw knecht5650 is in het midden8432 van Uw volk,5971 dat verkoren hebt,977 8804 een groot7227 volk,5971 hetwelk834 niet3808 kan geteld4487 8735 noch3808 gerekend worden,5608 8735 vanwege4480 de menigte.7230 Geef5414 8804 Uw knecht5650 een verstandig8085 8802 hart,3820 om Uw volk5971 te richten,8199 8800 verstandelijk onderscheidende995 8687 tussen goed2896 en kwaad;7451 want3588 wie4310 zou dit2088 Uw zwaar3515 volk5971 kunnen3201 8799 richten?8199 8800 Die zaak1697 nu was goed3190 8799 in de ogen5869 des HEEREN,136 dat3588 Salomo8010 deze2088 zaak1697 begeerd had.7592 8804 En God430 zeide559 8799 tot413 hem: Daarom3282 dat834 gij deze2088 zaak1697 begeerd hebt,7592 8804 en niet3808 begeerd hebt,7592 8804 voor u vele7227 dagen,3117 noch3808 voor u begeerd hebt7592 8804 rijkdom,6239 noch3808 begeerd hebt7592 8804 de ziel5315 uwer vijanden;341 8802 maar hebt begeerd7592 8804 verstand995 8687 voor u, om gerichtszaken4941 te horen;8085 8800 Zie,2009 Ik heb gedaan6213 8804 naar uw woorden;1697 zie,2009 Ik heb u een wijs2450 en verstandig995 8737 hart3820 gegeven,5414 8804 dat834 uws gelijke3644 voor6440 u niet3808 geweest is,1961 8804 en uws gelijke3644 na310 u niet3808 opstaan zal.6965 8799 Zelfs ook1571 wat834 gij niet3808 begeerd hebt,7592 8804 heb Ik u gegeven,5414 8804 beide1571 rijkdom6239 en1571 eer;3519 dat834 uws gelijke3644 niemand3808 376 onder de koningen4428 al3605 uw dagen3117 zijn zal.1961 8804 En zo518 gij in wegen1870 wandelen zult,3212 8799 onderhoudende8104 8800 inzettingen2706 en geboden,4687 gelijk als834 uw vader1 1732 gewandeld heeft,1980 8804 zo zal Ik ook uw dagen3117 verlengen.748 8689 En Salomo8010 waakte op,3364 8799 en ziet,2009 het was een droom.2472 En hij kwam935 8799 te ,3389 en stond5975 8799 voor6440 de 727 des verbonds1285 des HEEREN,3068 en offerde5927 8686 brandofferen,5930 en bereidde6213 8799 dankofferen,8002 en maakte6213 8799 een maaltijd4960 voor al3605 zijn knechten.5650 Toen227 kwamen935 8799 er twee8147 vrouwen,802 die hoeren waren,2181 8802 tot413 den koning;4428 en zij stonden5975 8799 voor zijn aangezicht.6440 En de ene259 vrouw802 zeide:559 8799 ,994 mijn heer.113 Ik589 en deze2063 vrouw802 wonen3427 8802 in een259 huis;1004 en ik heb bij5973 haar in dat huis1004 gebaard.3205 8799 Het is nu geschied1961 8799 op den derden7992 dag3117 na mijn baren3205 8800 dat deze2063 vrouw802 ook1571 gebaard heeft;3205 8799 en wij587 waren te zamen,3162 geen369 vreemde2114 8801 was369 met854 ons in dat huis,1004 behalve2108 ons587 tweeen8147 in het huis.1004 En de zoon1121 dezer2063 vrouw802 is des nachts3915 gestorven,4191 8799 omdat834 zij op5921 hem gelegen had.7901 8804 En zij stond6965 ter middernacht8432 3915 op,6965 8799 en nam3947 8799 mijn zoon1121 van4480 bij681 mij, als uw dienstmaagd519 sliep,3463 en leide7901 8686 hem in haar schoot,2436 en haar doden4191 8801 zoon1121 leide zij7901 8689 in mijn schoot.2436 En ik stond6965 in de morgen1242 op,6965 8799 om mijn zoon1121 te zogen,3243 8687 en zie,2009 hij was dood;4191 8804 maar ik lette995 8709 in den morgen1242 op413 hem, en zie,2009 het was1961 8804 mijn zoon1121 niet,3808 dien834 ik gebaard had.3205 8804 Toen zeide559 8799 de andere312 vrouw:802 ,3808 maar3588 die levende2416 is mijn zoon,1121 en de dode4191 8801 is uw zoon;1121 gene2063 daarentegen zeide:559 8802 ,3808 maar3588 de dode4191 8801 is uw zoon,1121 en de levende2416 is mijn zoon!1121 spraken zij1696 8762 voor het aangezicht6440 des konings.4428 Toen zeide559 8799 de koning:4428 Deze2063 zegt:559 8802 Dit2063 is mijn zoon,1121 die leeft,2416 maar uw zoon1121 is het, die dood is;4191 8801 en die2063 zegt:559 8802 ,3808 maar3588 de dode4191 8801 is uw zoon,1121 en de levende2416 mijn zoon.1121 Verder zeide559 8799 de koning:4428 Haalt3947 8798 mij een zwaard;2719 en zij brachten935 8686 een zwaard2719 voor het aangezicht6440 des konings.4428 En de koning4428 zeide:559 8799 Doorsnijdt1504 8798 dat levende2416 kind3206 in tweeen,8147 en geeft5414 8798 de ene259 een helft,2677 en de andere259 een helft.2677 Maar de vrouw,802 welker834 zoon1121 de levende2416 was, sprak559 8799 tot413 den koning4428 (want3588 haar ingewand7356 ontstak3648 8738 over5921 haar zoon1121), en zeide:559 8799 ,994 mijn heer!113 Geef5414 8798 haar dat levende2416 kind,3205 8803 en dood4191 8686 het geenszins;4191 8687 408 deze2063 daarentegen zeide:559 8802 zij1961 8799 noch1571 het uwe noch1571 3808 het mijne, doorsnijdt1504 8798 het. Toen antwoordde6030 8799 de koning,4428 en zeide:559 8799 Geeft5414 8798 aan die het levende2416 kind,3205 8803 en doodt4191 8686 het geenszins;4191 8687 3808 die1931 is zijn moeder.517 En geheel3605 3478 hoorde8085 8799 dat oordeel,4941 dat834 de koning4428 geoordeeld had,8199 8804 en vreesde3372 8799 voor4480 het aangezicht6440 des konings; want3588 zij zagen,7200 8804 dat3588 de wijsheid2451 Gods430 in7130 hem was, om recht4941 te doen.6213 8800