Deuteronomy 33:23
“En van Nafthali5321 zeide hij:559 8804 O Nafthali!5321 wees verzadigd7649 van de goedgunstigheid,7522 en vol4392 van den zegen1293 des HEEREN;3068 bezit erfelijk3423 8798 het westen3220 en het zuiden.1864”
Deuteronomy 33:23 — Statenvertaling (1637)
Verse 23 of 29 in Deuteronomy chapter 33 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Deuteronomy 33 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Dit nu is de zegen,1293 met welken ,4872 de man376 ,430 de kinderen1121 Israels3478 gezegend heeft,1288 8765 voor6440 zijn dood.4194 Hij zeide559 8799 : De HEERE3068 is van Sinai5514 gekomen,935 8804 en is hunlieden opgegaan2224 8804 van ;8165 is blinkende verschenen3313 8689 van het gebergte2022 ,6290 en is aangekomen857 8804 met tien duizenden7233 der heiligen;6944 tot rechterhand3225 was een vurige799 8676 784 wet1881 aan hen. Immers637 bemint Hij2245 8801 de volken!5971 Al zijn heiligen6918 zijn in Uw hand;3027 zij zullen in het midden tussen Uw voeten7272 gezet worden;8497 8795 een ieder zal ontvangen5375 8799 van Uw woorden.1703 Mozes4872 heeft ons de wet8451 geboden,6680 8765 een erfenis4181 van Jakobs3290 gemeente;6952 En was koning4428 in ,3484 als de hoofden7218 des volks5971 zich vergaderden,622 8692 samen3162 met de stammen7626 .3478 Dat Ruben7205 leve,2421 8799 en niet sterve,4191 8799 en dat zijn lieden4962 [van] getal4557 zijn! En dit is van ,3063 dat hij zeide:559 8799 ,8085 8798 HEERE!3068 de stem6963 van !3063 en breng935 8686 hem weder tot zijn volk;5971 zijn handen3027 moeten hem genoegzaam7227 zijn, en zijt [hem] een Hulp5828 tegen zijn vijanden!6862 En van 3878 zeide hij:559 8804 Uw Thummim8550 en Uw Urim224 zijn aan den man,376 Uw gunstgenoot;2623 dien verzocht hebt5254 8765 in ,4532 met welken getwist hebt7378 8799 aan de wateren4325 van .4809 Die tot zijn vader1 en tot zijn moeder517 zeide:559 8802 Ik zie7200 8804 hem niet; en die zijn broederen251 niet kende,5234 8689 en zijn zonen1121 niet achtte;3045 8804 want zij onderhielden8104 8804 Uw woord,565 en bewaarden5341 8799 Uw verbond.1285 Zij zullen Jakob3290 Uw rechten4941 leren,3384 8686 en 3478 Uw wet;8451 zij zullen reukwerk6988 voor Uw neus639 leggen,7760 8799 en dat gans verteerd zal worden,3632 op Uw altaar.4196 Zegen,1288 8761 HEERE!3068 zijn vermogen,2428 en laat U het werk6467 zijner handen3027 wel bevallen;7521 8799 versla4272 8798 de lenden4975 dergenen, die tegen hem opstaan6965 8801 en hem haten,8130 8764 dat zij niet4480 weder opstaan!6965 8799 En van 1144 zeide hij:559 8804 De beminde3039 des HEEREN,3068 hij zal zeker983 bij wonen.7931 8799 zal hem den gansen dag3117 overdekken,2653 8802 en tussen schouders3802 zal hij wonen!7931 8804 En van Jozef3130 zeide hij:559 8804 land776 zij gezegend1288 8794 van den HEERE,3068 van het uitnemendste4022 des hemels,8064 van den dauw,2919 en van de diepte,8415 die beneden is liggende;7257 8802 En van de uitnemendste4022 inkomsten8393 der zon,8121 en van de uitnemendste4022 voortzetting1645 der maan;3391 En van het voornaamste7218 der oude6924 bergen,2042 en van het uitnemendste4022 der eeuwige5769 heuvelen;1389 En van het uitnemendste4022 der aarde776 en haar volheid,4393 en [van] de goedgunstigheid7522 , Die in het braambos5572 woonde,7931 8802 kome935 8799 [de] [zegening] op het hoofd7218 van ,3130 en op den schedel6936 des afgezonderden5139 van zijn broederen!251 Hij heeft de heerlijkheid1926 des eerstgeborenen1060 zijns osses,7794 en zijn hoornen7161 zijn hoornen7161 des eenhoorns;7214 met dezelve zal hij de volken5971 te zamen3162 stoten5055 8762 tot aan de einden657 des lands.776 nu zijn de tien duizenden7233 van ,669 en dezen zijn de duizenden505 van !4519 En van Zebulon2074 zeide hij:559 8804 u,8055 8798 !2074 over uw uittocht,3318 8800 en !3485 over uw hutten.168 Zij zullen de volken5971 tot den berg2022 roepen;7121 8799 daar zullen zij offeranden2077 der gerechtigheid6664 offeren;2076 8799 want zij zullen den overvloed8228 der zeeen3220 zuigen,3243 8799 en de bedekte8226 8803 verborgen2934 8803 dingen des zands.2344 En van 1410 zeide hij:559 8804 Gezegend1288 8803 zij, die aan 1410 ruimte maakt!7337 8688 hij woont7931 8804 als een oude leeuw,3833 en verscheurt2963 8804 den arm,2220 ja ook637 den schedel.6936 En hij heeft zich van het eerste7225 voorzien,7200 8799 omdat hij aldaar [in] het deel2513 des wetgevers2710 8781 bedekt was;5603 8803 daarom kwam hij857 8799 met de hoofden7218 des volks;5971 hij verrichtte6213 8804 de gerechtigheid6666 des HEEREN,3068 en zijn gerichten4941 met .3478 En van 1835 zeide hij:559 8804 1835 is een jonge1482 leeuw;738 hij zal [als] uit Bazan1316 voortspringen.2187 8762 En van Nafthali5321 zeide hij:559 8804 O !5321 wees verzadigd7649 van de goedgunstigheid,7522 en vol4392 van den zegen1293 des HEEREN;3068 bezit erfelijk3423 8798 het westen3220 en het zuiden.1864 En van Aser836 zeide hij:559 8804 Aser836 zij gezegend1288 8803 met zonen;1121 hij zij zijn broederen251 aangenaam,7521 8803 en dope2881 8802 zijn voet7272 in olie.8081 Ijzer1270 en koper5178 zal [onder] uw schoen4515 zijn; en uw sterkte1679 gelijk uw dagen!3117 Niemand is er gelijk God,410 o !3484 op den hemel8064 vaart7392 8802 tot uw hulp,5828 en met hoogheid1346 op de bovenste wolken.7834 De eeuwige6924 God430 zij u een woning,4585 en van onder eeuwige5769 armen;2220 en verdrijve1644 8762 den vijand341 8802 voor uw aangezicht,6440 en zegge:559 8799 !8045 8685 3478 zal zeker983 alleen910 wonen,7931 8799 [en] Jakobs3290 oog5869 zal zijn op een land776 van koren1715 en most;8492 ja, zijn hemel8064 zal van dauw2919 druipen.6201 8799 Welgelukzalig835 zijt gij, o !3478 wie is u gelijk? gij zijt een volk,5971 verlost3467 8737 door den HEERE,3068 het Schild4043 uwer hulp,5828 en een Zwaard2719 is uwer hoogheid;1346 daarom zullen zich uw vijanden341 8802 geveinsdelijk aan u onderwerpen,3584 8735 en gij zult op hun hoogten1116 treden!1869 8799