Exodus 14:21

“Toen Mozes4872 zijn hand3027 uitstrekte5186 8799 over de zee,3220 zo deed de HEERE3068 de zee3220 weggaan,3212 8686 door een sterken5794 oostenwind,6921 7307 dien gansen nacht,3915 en maakte7760 8799 de zee3220 droog,2724 en de wateren4325 werden gekliefd.1234 8735”

Exodus 14:21 — Statenvertaling (1637)

Verse 21 of 31 in Exodus chapter 14 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

1 thread runs through this chapter

Exodus 14 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Toen sprak1696 8762 de HEERE3068 tot ,4872 zeggende:559 8800 Spreek1696 8761 tot de kinderen1121 ,3478 dat zij wederkeren,7725 8799 en zich legeren2583 8799 voor6440 Pi-hachiroth,6367 tussen 4024 en tussen de zee,3220 voor6440 -zefon;1189 daar tegenover5226 zult gij u legeren2583 8799 aan de zee.3220 Farao6547 zal zeggen559 8804 van de kinderen1121 :3478 zijn verward943 8737 in het land;776 die woestijn4057 heeft hen besloten.5462 8804 En Ik zal 's6547 hart3820 verstokken,2388 8765 dat hij hen najage;7291 8804 310 en Ik zal aan Farao6547 en aan al zijn heir2428 verheerlijkt worden,3513 8735 alzo dat de Egyptenaars4714 zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben. En zij deden6213 8799 alzo. Toen nu den koning4428 van Egypte4714 werd geboodschapt,5046 8714 dat het volk5971 vluchtte,1272 8804 zo is het hart3824 van Farao6547 en van zijn knechten5650 veranderd2015 8735 tegen het volk,5971 en zij zeiden:559 8799 hebben wij dat gedaan,6213 8804 dat wij 3478 hebben laten trekken,7971 8765 dat zij ons niet dienden?5647 8800 En hij spande631 8799 zijn wagen7393 aan, en nam3947 8804 zijn volk5971 met zich. En hij nam3947 8799 zeshonderd8337 3967 uitgelezene977 8803 wagens,7393 ja, al de wagens7393 van ,4714 en de hoofdlieden7991 over die allen. Want de HEERE3068 verstokte2388 8762 het hart3820 van ,6547 den koning4428 van ,4714 dat hij de kinderen1121 Israels3478 najaagde;7291 8799 310 doch de kinderen1121 Israels3478 waren door een hoge7311 8802 hand3027 uitgegaan.3318 8802 En de Egyptenaars4714 jaagden7291 8799 hen na,310 en achterhaalden5381 8686 hen, daar zij zich gelegerd hadden2583 8802 aan de zee;3220 al de paarden,5483 de wagens7393 van Farao6547 en zijn ruiters,6571 en zijn heir;2428 nevens Pi-hachiroth,6367 voor6440 -zefon.1189 Als Farao6547 nabij gekomen was,7126 8689 zo hieven5375 8799 de kinderen1121 Israels3478 hun ogen5869 op, en ziet, de Egyptenaars4714 togen5265 8802 achter310 hen; en zij vreesden3372 8799 zeer;3966 toen riepen6817 8799 de kinderen1121 Israels3478 tot den HEERE.3068 En zij zeiden559 8799 tot :4872 gij ons daarom, omdat er in Egypte4714 gans geen graven6913 waren, weggenomen,3947 8804 opdat wij in deze woestijn4057 sterven zouden?4191 8800 Waarom2063 hebt gij ons dat gedaan,6213 8804 dat gij ons uit Egypte4714 uitgevoerd hebt?3318 8687 Is dit niet het woord,1697 dat wij in Egypte4714 tot u spraken,1696 8765 zeggende:559 8800 af2308 8798 van ons, en laat ons de Egyptenaren4714 dienen?5647 8799 het ware ons beter2896 geweest de Egyptenaren4714 te dienen,5647 8800 in deze woestijn4057 te sterven.4191 8800 Doch Mozes4872 zeide559 8799 tot het volk:5971 Vreest3372 8799 niet, staat vast,3320 8690 en ziet7200 8798 het heil3444 des HEEREN,3068 dat heden3117 aan ulieden doen zal,6213 8799 want de ,4714 die gij heden3117 gezien hebt,7200 8804 zult gij niet weder3254 8686 zien7200 8800 in eeuwigheid.5704 5769 De HEERE3068 zal voor ulieden strijden,3898 8735 en gij zult stil zijn.2790 8686 Toen zeide559 8799 de HEERE3068 tot :4872 roept gij6817 8799 tot ? Zeg1696 8761 den kinderen1121 ,3478 dat zij voorttrekken.5265 8799 En gij, hef7311 8685 uw staf4294 op, en strek5186 8798 uw hand3027 uit over de zee,3220 en klief1234 8798 dezelve, dat de kinderen1121 Israels3478 door het midden8432 der zee3220 gaan935 8799 op het droge.3004 En Ik, zie, Ik zal het hart3820 der Egyptenaren4714 verstokken,2388 8764 dat zij na310 hen daarin gaan;935 8799 en Ik zal verheerlijkt worden3513 8735 aan Farao6547 en aan al zijn heir,2428 aan zijn wagenen7393 en aan zijn ruiteren.6571 En de Egyptenaars4714 zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden3513 8736 aan ,6547 aan zijn wagenen7393 en aan zijn ruiteren.6571 En de Engel4397 ,430 voor6440 het heir4264 van 3478 ging,1980 8802 vertrok,5265 8799 en ging3212 8799 achter310 hen; de wolkkolom5982 6051 vertrok5265 8799 ook van hun aangezicht,6440 en stond5975 8799 achter310 hen. En zij kwam935 8799 tussen het leger4264 der ,4714 en tussen het leger4264 van ;3478 en de wolk6051 was te gelijk duisternis2822 en verlichtte215 8686 den nacht;3915 zodat de een tot den ander2088 niet naderde7126 8804 den gansen nacht.3915 Toen Mozes4872 zijn hand3027 uitstrekte5186 8799 over de zee,3220 zo deed de HEERE3068 de zee3220 weggaan,3212 8686 door een sterken5794 oostenwind,6921 7307 dien gansen nacht,3915 en maakte7760 8799 de zee3220 droog,2724 en de wateren4325 werden gekliefd.1234 8735 En de kinderen1121 Israels3478 zijn ingegaan935 8799 in het midden8432 van de zee,3220 op het droge;3004 en de wateren4325 waren hun een muur,2346 aan hun rechter3225 [hand] en aan hun linkerhand.8040 En de Egyptenaars4714 vervolgden7291 8799 hen, en gingen in,935 8799 achter310 hen, al de paarden5483 van ,6547 zijn wagenen7393 en zijn ruiteren,6571 in het midden8432 van de zee.3220 En het geschiedde in dezelfde morgenwake,1242 821 dat de HEERE,3068 in de kolom5982 des vuurs784 en der wolk,6051 zag8259 8686 op het leger4264 der ;4714 en verschrikte2000 8799 het leger4264 der .4714 En stiet5493 de raderen212 hunner wagenen4818 weg,5493 8686 en deed ze zwaarlijk3517 voortvaren.5090 8762 zeiden559 8799 de :4714 ons vlieden5127 8799 van het aangezicht6440 van ,3478 want de HEERE3068 strijdt3898 8737 voor hen tegen de .4714 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot :4872 Strek5186 8798 uw hand3027 uit over de zee,3220 dat de wateren4325 wederkeren7725 8799 over de ,4714 over hun wagenen7393 en over hun ruiters.6571 Toen strekte5186 8799 Mozes4872 zijn hand3027 uit over de zee;3220 en de zee3220 kwam weder,7725 8799 tegen het naken6437 8800 van den morgenstond,1242 tot haar kracht;386 en de Egyptenaars4714 vluchtten5127 8801 die tegemoet;7125 8800 en de HEERE3068 stortte5287 8762 de Egyptenaars4714 in het midden8432 der zee.3220 Want als de wateren4325 wederkeerden,7725 8799 zo bedekten zij3680 8762 de wagenen7393 en de ruiters6571 van het ganse heir2428 van ,6547 dat hen nagevolgd was935 8802 310 in de zee;3220 er bleef7604 8738 niet een259 van hen over.5704 Maar de kinderen1121 Israels3478 gingen1980 8804 op het droge,3004 in het midden8432 der zee;3220 en de wateren4325 waren hun een muur,2346 aan hun rechter3225 [hand] en aan hun linkerhand.8040 Alzo verloste3467 8686 de HEERE3068 3478 aan dien dag3117 uit de hand3027 der ;4714 en 3478 zag7200 8799 de Egyptenaren4714 dood4191 8801 aan den oever8193 der zee.3220 Ook zag7200 8799 3478 de grote1419 hand,3027 die de HEERE3068 aan de Egyptenaren4714 bewezen had;6213 8804 en het volk5971 vreesde3372 8799 den HEERE,3068 en geloofde539 8686 in den HEERE,3068 en aan ,4872 knecht.5650

Every verse in Exodus 14

Chapter navigation

0:000:00