Ezekiel 1:26

“En boven4605 het uitspansel,7549 hetwelk was boven hun hoofden,7218 was de gelijkenis1823 eens troons,3678 als de gedaante4758 van een saffiersteen;5601 68 en op de gelijkenis1823 des troons3678 was de gelijkenis1823 als de gedaante4758 eens mensen,120 daarboven op4605 zijnde.”

Ezekiel 1:26 — Statenvertaling (1637)

Verse 26 of 28 in Ezekiel chapter 1 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Ezekiel 1 — full chapter (Statenvertaling (1637))

In het dertigste7970 jaar,8141 in de vierde7243 [maand], op den vijfden2568 derzelve maand,2320 als ik in het midden8432 der weggevoerden1473 was bij de rivier5104 ,3529 zo geschiedde het, [dat] de hemelen8064 werden geopend,6605 8738 en ik gezichten4759 Gods430 zag.7200 8799 Op den vijfden2568 derzelve maand2320 (dit was het vijfde2549 jaar8141 van de wegvoering1546 van den koning4428 Jojachin3112), Geschiedde het woord1697 des HEEREN3068 uitdrukkelijk tot ,3168 den zoon1121 van ,941 den priester,3548 in het land776 der ,3778 bij de rivier5104 ;3529 en de hand3027 des HEEREN3068 was daar op hem. Toen zag ik,7200 8799 en ziet, een stormwind7307 5591 kwam935 8802 van het noorden6828 af, een grote1419 wolk,6051 en een vuur784 [daarin] vervangen,3947 8693 en een glans5051 was rondom5439 die [wolk]; en uit het midden8432 daarvan was als de verf5869 van ,2830 uit het midden8432 des vuurs.784 En uit het midden8432 daarvan [kwam] de gelijkenis1823 van vier702 dieren;2416 en dit was hun gedaante:4758 zij2007 hadden de gelijkenis1823 van een mens;120 En elkeen259 had vier702 aangezichten;6440 insgelijks had elkeen259 van hen vier702 vleugelen.3671 En hun voeten7272 waren rechte3477 voeten,7272 en hun voetplanten3709 7272 waren gelijk de voetplanten3709 7272 van een kalf,5695 en glinsterden5340 8802 gelijk de verf5869 van glad7044 koper.5178 En mensenhanden3027 120 waren onder hun vleugelen,3671 aan hun vier702 zijden;7253 en die vier702 hadden hun aangezichten6440 en hun vleugelen.3671 Hun vleugelen3671 waren samengevoegd,2266 8802 de een802 aan den ander;269 zij keerden zich5437 8735 niet om, als zij gingen;3212 8800 zij gingen3212 8799 elkeen376 recht uit5676 voor zijn aangezicht6440 henen. De gelijkenis1823 nu van hun aangezicht6440 was het aangezicht6440 eens mensen,120 en het aangezicht6440 eens leeuws738 hadden zij vier702 aan de rechterzijde;3225 en ter linkerzijde8040 hadden die vier702 eens ossen7794 aangezicht;6440 ook hadden die vier702 eens arends5404 aangezicht.6440 Ook waren hun aangezichten6440 en hun vleugelen3671 opwaarts4605 verdeeld;6504 8803 elkeen376 had er twee8147 samengevoegd2266 8802 aan de andere,376 en twee8147 bedekten3680 8764 hun lichamen.1472 En zij gingen3212 8799 elkeen376 rechtuit5676 voor zijn aangezicht6440 henen; waarhenen de geest7307 was om te gaan,3212 8800 gingen zij;3212 8799 zij keerden zich5437 8735 niet om, als zij gingen.3212 8800 Aangaande de gelijkenis1823 der dieren,2416 hun gedaante4758 was als brandende1197 8802 kolen1513 des vuurs,784 als de gedaante4758 der fakkelen;3940 datzelve [vuur] ging1980 8693 steeds tussen die dieren;2416 en het vuur784 had een glans,5051 en uit het vuur784 kwam3318 een bliksem1300 voort.3318 8802 De dieren2416 nu liepen7519 8800 en keerden weder7725 8800 als de gedaante4758 van een weerlicht.965 Als ik die dieren2416 zag,7200 8799 ziet, zo was er een259 rad212 op de aarde776 bij681 die dieren,2416 naar vier702 aangezichten6440 van hetzelve. De gedaante4758 der raderen212 en derzelver maaksel4639 was als de verf5869 van een turkoois;8658 en die vier702 hadden enerlei259 gelijkenis;1823 daartoe was hun gedaante,4758 en hun maaksel,4639 alsof het ware een rad212 in het midden8432 van een rad.212 Als zij gingen,3212 8800 zij gingen3212 8799 op hun vier702 zijden;7253 zij keerden zich5437 8735 niet om, als zij gingen.3212 8800 En hun velgen,1354 die waren zo hoog,1363 dat zij vreselijk3374 waren; en hun velgen1354 waren vol4392 ogen5869 rondom5439 aan die vier702 [raderen]. Als nu de dieren2416 gingen,3212 8800 gingen3212 8799 de raderen212 bij hen;681 en als de dieren2416 van de aarde776 opgeheven werden,5375 8736 werden de raderen212 opgeheven.5375 8735 Waarhenen de geest7307 was om te gaan,3212 8800 gingen zij,3212 8799 waarhenen de geest7307 was om te gaan;3212 8800 en de raderen212 werden tegenover5980 hen opgeheven;5375 8735 want de geest7307 der dieren2416 was in de raderen.212 Als die gingen,3212 8800 gingen3212 8799 [deze]; en als die stonden,5975 8800 stonden zij;5975 8799 en als die van de aarde776 opgeheven werden,5375 8736 werden de raderen212 tegenover5980 hen opgeheven;5375 8735 want de geest7307 der dieren2416 was in de raderen.212 En over de hoofden7218 der dieren2416 was de gelijkenis1823 eens uitspansels,7549 gelijk de verf5869 van het vreselijke3372 8737 kristal,7140 van boven4605 af over hun hoofden7218 uitgespreid.5186 8803 En onder dat uitspansel7549 waren hun vleugelen3671 rechtop,3477 de een802 aan den ander;269 ieder376 had er twee,8147 die herwaarts2007 hun lichamen1472 bedekten,3680 8764 en ieder376 had er twee,8147 die ze derwaarts2007 bedekten.3680 8764 En als zij gingen,3212 8800 hoorde ik8085 8799 een geruis6963 hunner vleugelen,3671 als het geruis6963 van vele7227 wateren,4325 als de stem6963 des ,7706 [als] de stem6963 eens geroeps,1999 als het gedreun6963 eens heirlegers;4264 als zij stonden,5975 8800 zo lieten zij7503 hun vleugelen3671 neder.7503 8762 En er geschiedde een stem6963 van boven het uitspansel,7549 hetwelk boven hun hoofden7218 was, als zij stonden,5975 8800 [en] hun vleugelen3671 nedergelaten hadden.7503 8762 En boven4605 het uitspansel,7549 hetwelk was boven hun hoofden,7218 was de gelijkenis1823 eens troons,3678 als de gedaante4758 van een saffiersteen;5601 68 en op de gelijkenis1823 des troons3678 was de gelijkenis1823 als de gedaante4758 eens mensen,120 daarboven op4605 zijnde. En ik zag7200 8799 als de verf5869 van ,2830 als de gedaante4758 van vuur784 rondom5439 daarbinnen,1004 van de gedaante4758 lenden4975 en opwaarts;4605 en van de gedaante4758 lenden4975 en nederwaarts,4295 zag ik7200 8804 als de gedaante4758 van vuur,784 en glans5051 aan rondom.5439 Gelijk de gedaante4758 van den boog,7198 die in de wolk6051 is ten dage3117 des plasregens,1653 alzo was de gedaante4758 van den glans5051 rondom;5439 dit was de gedaante4758 van de gelijkenis1823 der heerlijkheid3519 des HEEREN;3068 en als ik het zag,7200 8799 viel ik5307 8799 op mijn aangezicht,6440 en ik hoorde8085 8799 een stem6963 van , Die sprak.1696 8764

Every verse in Ezekiel 1

Chapter navigation

0:000:00