Ezekiel
Ezekiel 11
Statenvertaling (1637) · tap any highlighted word for context
Ezekiel 11 — Scripture text (Statenvertaling (1637))
Toen hief5375 mij de Geest7307 op,5375 8799 en bracht935 8686 mij tot de Oostpoort6931 8179 van het huis1004 des HEEREN,3068 dewelke ziet6437 8802 oostwaarts;6921 en ziet, aan de deur6607 der poort8179 waren vijf2568 en twintig6242 mannen,376 en in het midden8432 van hen zag ik7200 8799 ,2970 den zoon1121 van ,5809 en ,6410 den zoon1121 van ,1141 vorsten8269 des volks.5971 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 deze zijn de mannen,582 die ongerechtigheid205 bedenken,2803 8802 en die kwaden7451 raad6098 raden3289 8802 in deze stad.5892 Die zeggen:559 8802 moet geen huizen1004 nabij7138 bouwen;1129 8800 deze [stad] zou de pot,5518 en wij het vlees1320 zijn. Daarom profeteer5012 8734 tegen hen; profeteer,5012 8734 o mensenkind!1121 120 Zo viel5307 8799 de Geest7307 des HEEREN3068 op mij, en zeide559 8799 tot mij: Zeg:559 8798 Zo zegt559 8804 de HEERE:3068 zegt gijlieden,559 8799 o huis1004 !3478 want Ik weet3045 8804 elkeen der dingen, die in uw geest7307 opklimmen.4609 Gij hebt uw verslagenen2491 in deze stad5892 vermenigvuldigd,7235 8689 en gij hebt derzelver straten2351 met de verslagenen2491 vervuld.4390 8765 Daarom, zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Uw verslagenen,2491 die gij in het midden8432 derzelve nedergelegd hebt,7760 8804 die zijn dat vlees,1320 en deze [stad] is de pot;5518 maar ulieden zal Ik uit het midden8432 derzelve doen uitgaan.3318 8689 Gijlieden hebt het zwaard2719 gevreesd;3372 8804 en het zwaard2719 zal Ik over u brengen,935 8686 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Ook zal Ik ulieden uit het midden8432 derzelve doen uitgaan,3318 8689 en Ik zal u overgeven5414 8804 in de hand3027 der vreemden;2114 8801 en Ik zal recht8201 onder u doen.6213 8804 Gij zult door het zwaard2719 vallen;5307 8799 in de landpale1366 Israels3478 zal Ik u richten,8199 8799 en gij zult weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben. Deze [stad] zal ulieden niet tot een pot5518 zijn, en gij zult in het midden8432 derzelve [niet] tot vlees1320 zijn; in de landpale1366 Israels3478 zal Ik u richten.8199 8799 En gij zult weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben, omdat gij in inzettingen2706 niet gewandeld,1980 8804 en rechten4941 niet gedaan hebt,6213 8804 maar naar de rechten4941 der heidenen,1471 die rondom5439 u zijn, gedaan hebt.6213 8804 Het geschiedde nu, als ik profeteerde,5012 8736 dat ,6410 de zoon1121 van ,1141 stierf.4191 8804 viel ik neder5307 8799 op mijn aangezicht,6440 en riep2199 8799 met luider1419 stem;6963 en zeide:559 8799 ,162 Heere136 HEERE!3069 zult gans een voleinding3617 maken6213 8802 met het overblijfsel7611 van ?3478 Toen geschiedde het woord1697 des HEEREN3068 tot mij, zeggende:559 8800 Mensenkind,1121 120 het zijn uw broederen,251 uw broederen,251 de mannen582 uwer maagschap,1353 en het ganse huis1004 ,3478 [ja], dat ganse, tot welke de inwoners3427 8802 van Jeruzalem3389 gezegd hebben:559 8804 u verre af7368 8798 van den HEERE,3068 ditzelve land776 is ons tot een erfbezitting4181 gegeven.5414 8738 Daarom zeg:559 8798 Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Ik hen verre7368 onder de heidenen1471 weggedaan heb,7368 8689 en hoewel Ik hen in de landen776 verstrooid heb,6327 8689 nochtans zal Ik hun een weinig4592 [tijds] tot een heiligdom4720 zijn, in de landen,776 waarin zij gekomen zijn.935 8804 Daarom zeg:559 8798 zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Ja, Ik zal ulieden vergaderen6908 8765 uit de volken,5971 en Ik zal u verzamelen622 8804 uit de landen,776 waarin gij verstrooid zijt,6327 8738 en Ik zal u het land127 Israels3478 geven.5414 8804 En zij zullen daarhenen komen,935 8804 en al deszelfs verfoeiselen8251 en al deszelfs gruwelen8441 van daar wegdoen.5493 8689 En Ik zal hun enerlei259 hart3820 geven,5414 8804 en zal een nieuwen2319 geest7307 in het binnenste7130 van u geven;5414 8799 en Ik zal het stenen68 hart3820 uit hun vlees1320 wegnemen,5493 8689 en zal hun een vlesen1320 hart3820 geven;5414 8804 Opdat zij wandelen3212 8799 in inzettingen,2708 en rechten4941 bewaren,8104 8799 en dezelve doen;6213 8804 en zij zullen tot een volk5971 zijn, en Ik zal hun tot een God430 zijn. Maar welker hart3820 het hart3820 hunner verfoeiselen8251 en hunner gruwelen8441 nawandelt,1980 8802 derzelver weg1870 zal Ik op hun hoofd7218 geven,5414 8804 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Toen hieven5375 8799 de cherubs3742 hun vleugelen3671 op, en de raderen212 tegenover5980 hen; en de heerlijkheid3519 des Gods430 van 3478 was over hen van boven.4605 En de heerlijkheid3519 des HEEREN3068 rees op5927 8799 van het midden8432 der stad,5892 en stond5975 8799 op den berg,2022 die tegen het oosten6924 der stad5892 is. Daarna nam5375 mij de Geest7307 op,5375 8804 en bracht935 8686 mij in gezicht4758 door den Geest7307 Gods430 in 3778 tot de gevankelijk weggevoerden;1473 en het gezicht,4758 dat ik gezien had,7200 8804 voer van mij op.5927 8799 En ik sprak1696 8762 tot de gevankelijk weggevoerden1473 al de woorden1697 des HEEREN,3068 die mij had doen zien.7200 8689