Ezekiel 6:10
“En zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben; Ik heb niet tevergeefs2600 gesproken,1696 8765 van hun dit kwaad7451 aan te doen.6213 8800”
Ezekiel 6:10 — Statenvertaling (1637)
Verse 10 of 14 in Ezekiel chapter 6 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ezekiel 6 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En het woord1697 des HEEREN3068 geschiedde tot mij, zeggende:559 8800 Mensenkind,1121 120 zet7760 8798 uw aangezicht6440 tegen de bergen2022 ,3478 en profeteer5012 8734 tegen dezelve; En zeg:559 8804 bergen2022 ,3478 hoort8085 8798 het woord1697 des Heeren136 HEEREN!3069 Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE3069 tot de bergen2022 en tot de heuvelen,1389 tot de beken650 en tot de dalen:1516 , Ik, Ik breng935 8688 over u het zwaard,2719 en Ik zal uw hoogten1116 verderven.6 8765 Daartoe zullen uw altaren4196 verwoest,8074 8738 en uw zonnebeelden2553 verbroken worden;7665 8738 en Ik zal uw verslagenen2491 nedervellen5307 8689 voor het aangezicht6440 uwer drekgoden.1544 En Ik zal de dode lichamen6297 der kinderen1121 Israels3478 voor het aangezicht6440 hunner drekgoden1544 leggen,5414 8804 en Ik zal uw beenderen6106 rondom5439 uw altaren4196 strooien.2219 8765 In al uw woningen4186 zullen de steden5892 verwoest2717 8799 en de hoogten1116 tot wildernis worden,3456 8799 opdat uw altaren4196 woest2717 8799 en eenzaam zijn,816 8799 en uw drekgoden1544 verbroken worden7665 8738 en ophouden,7673 8738 en uw zonnebeelden2553 afgehouwen,1438 8738 en uw werken4639 uitgedelgd worden.4229 8738 En de verslagenen2491 zullen in het midden8432 van u liggen,5307 8804 opdat gij weet,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben. Ik zal nog een overblijfsel laten,3498 8689 als gij [enigen] zult hebben, die het zwaard2719 ontkomen6412 onder de heidenen,1471 wanneer gij in de landen776 zult verstrooid worden.2219 8736 zullen uw ontkomenen6412 gedenken2142 8804 onder de heidenen,1471 waar zij gevankelijk zullen geworden zijn,7617 8738 omdat Ik verbroken ben7665 8738 door hun hoerachtig2181 8802 hart,3820 dat van afgeweken is,5493 8804 en door hun ogen,5869 die hun drekgoden1544 nahoereren;2181 8802 310 en zij zullen een walging6962 aan zichzelven6440 hebben6962 8738 over de boosheden,7451 die zij in al hun gruwelen8441 gedaan hebben.6213 8804 En zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben; Ik heb niet tevergeefs2600 gesproken,1696 8765 van hun dit kwaad7451 aan te doen.6213 8800 Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Sla5221 8685 met uw hand,3709 en stamp7554 8798 met uw voet,7272 en zeg:559 8798 ,253 over alle gruwelen8441 der boosheden7451 van het huis1004 ;3478 want zij zullen door het zwaard,2719 door den honger7458 en door de pestilentie1698 vallen.5307 8799 Die verre af7350 is, zal door de pest1698 sterven,4191 8799 en die nabij7138 is, zal door het zwaard2719 vallen;5307 8799 maar die overgebleven7604 8737 en belegerd is,5341 8803 zal door honger7458 sterven;4191 8799 alzo zal Ik grimmigheid2534 tegen hen volbrengen.3615 8765 zult gij weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben, als hun verslagenen2491 in het midden8432 hunner drekgoden1544 rondom5439 hun altaren4196 wezen zullen op alle hoge7311 8802 heuvelen,1389 op alle toppen7218 der bergen,2022 en onder allen groenen7488 boom,6086 en onder alle dichte5687 eiken,424 de plaats,4725 alwaar zij al hun drekgoden1544 liefelijken5207 reuk7381 maakten.5414 8804 Daarom zal Ik hand3027 over hen uitstrekken,5186 8804 en zal het land776 woest8077 maken,5414 8804 ja, woester4923 de woestijn4057 naar Diblath1689 henen, in al hun woningen;4186 en zij zullen bevinden,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben.