Genesis 2:17
“Maar van4480 den boom6086 der kennis1847 des goeds2896 en des kwaads,7451 daarvan zult gij niet3808 eten;398 8799 want3588 ten dage,3117 als gij daarvan4480 eet,398 8800 zult gij den dood4191 8800 sterven.4191 8799”
Genesis 2:17 — Statenvertaling (1637)
Verse 17 of 25 in Genesis chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
2 threads run through this chapter
Genesis 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Alzo zijn volbracht3615 8792 de hemel8064 en de aarde,776 en al3605 hun heir.6635 Als nu God430 op den zevenden7637 dag3117 volbracht had3615 8762 werk,4399 dat834 gemaakt had,6213 8804 heeft gerust7673 8799 op den zevenden7637 dag3117 van al3605 werk,4399 dat834 gemaakt had.6213 8804 En God430 heeft den zevenden7637 dag3117 gezegend,1288 8762 en dien853 geheiligd;6942 8762 omdat3588 op denzelven gerust heeft7673 8804 van al3605 werk,4399 hetwelk834 God430 geschapen had,1254 8804 om te volmaken.6213 8800 Dit428 [zijn] de geboorten8435 des hemels8064 en der aarde,776 als zij geschapen werden;1254 8736 ten dage3117 als de HEERE3068 God430 de aarde776 en den hemel8064 maakte.6213 8800 En allen3605 struik7880 des velds,7704 eer2962 hij in de aarde776 was,1961 8799 en al3605 het kruid6212 des velds,7704 eer2962 het uitsproot;6779 8799 want3588 de HEERE3068 God430 had niet3808 doen regenen4305 8689 op5921 de aarde,776 en er was geen369 mens120 [geweest], om den853 aardbodem127 te bouwen.5647 8800 Maar een damp108 was opgegaan5927 8799 uit4480 de aarde,776 en bevochtigde8248 8689 den gansen3605 aardbodem.6440 127 En de HEERE3068 God430 had den mens120 geformeerd3335 8799 uit het stof6083 der4480 aarde,127 en in zijn neusgaten639 geblazen5301 8799 den adem5397 des levens;2416 alzo werd1961 8799 de mens120 tot een levende2416 ziel.5315 Ook had de HEERE3068 God430 een hof1588 geplant5193 8799 in ,5731 tegen het oosten,6924 en stelde7760 8799 aldaar8033 den mens,120 dien834 geformeerd had.3335 8804 En de HEERE3068 God430 had alle3605 geboomte6086 uit4480 het aardrijk127 doen spruiten,6779 8686 begeerlijk2530 8737 voor het gezicht,4758 en goed2896 tot spijze;3978 en den boom6086 des levens2416 in het midden8432 van den hof,1588 en de boom6086 der kennis1847 des goeds2896 en des kwaads.7451 En een rivier5104 was voortgaande3318 8802 uit4480 ,5731 om dezen hof1588 te bewateren;8248 8687 en werd van4480 daar8033 verdeeld,6504 8735 en werd1961 8804 tot vier702 hoofden.7218 De naam8034 der eerste259 [rivier] [is] ;6376 deze1931 [is] [het], die het ganse3605 land776 van Havila2341 omloopt,5437 8802 waar834 8033 het goud2091 [is]. En het goud2091 van dit1931 land776 [is] goed;2896 daar8033 [is] [ook] bedolah,916 en de steen68 sardonix.7718 En de naam8034 der tweede8145 rivier5104 [is] ;1521 deze1931 [is] [het], die het ganse3605 land776 Cusch3568 omloopt.5437 8802 En de naam8034 der derde7992 rivier5104 [is] ;2313 deze1931 is gaande naar1980 8802 het oosten6926 van .804 En de vierde7243 rivier5104 [is]1931 .6578 Zo nam3947 8799 de HEERE3068 God430 den mens,120 en zette hem3240 8686 in den hof1588 van ,5731 om dien te bouwen,5647 8800 en dien te bewaren.8104 8800 En de HEERE3068 God430 gebood6680 8762 den5921 mens,120 zeggende:559 8800 Van4480 allen3605 boom6086 dezes hofs1588 zult gij vrijelijk398 8800 eten;398 8799 Maar van4480 den boom6086 der kennis1847 des goeds2896 en des kwaads,7451 daarvan zult gij niet3808 eten;398 8799 want3588 ten dage,3117 als gij daarvan4480 eet,398 8800 zult gij den dood4191 8800 sterven.4191 8799 Ook had de HEERE3068 God430 gesproken:559 8799 is niet3808 goed,2896 dat de mens120 alleen909 zij;1961 8800 Ik zal hem een hulpe5828 maken,6213 8799 [die] als tegen hem over5048 [zij]. Want als de HEERE3068 God430 uit4480 de aarde127 al3605 het gedierte2416 des velds,7704 en al3605 het gevogelte5775 des hemels8064 gemaakt had,3335 8799 zo bracht Hij935 8686 die tot413 ,120 om te zien,7200 8800 hoe4100 hij ze noemen zou;7121 8799 en zo als834 120 alle3605 levende2416 ziel5315 noemen zoude,7121 8799 dat1931 [zou] haar naam8034 [zijn]. Zo had 120 genoemd7121 8799 de namen8034 van al3605 het vee,929 en van het gevogelte5775 des hemels,8064 en van al3605 het gedierte2416 des velds;7704 maar voor den mens120 vond hij4672 8804 geen3808 hulpe,5828 [die] als tegen hem over5048 [ware]. Toen deed5307 de HEERE3068 God430 een diepen slaap8639 op5921 121 vallen,5307 8686 en hij sliep;3462 8799 en nam3947 8799 een259 van4480 zijn ribben,6763 en sloot5462 8799 derzelver plaats8478 toe [met] vlees.1320 En de HEERE3068 God430 bouwde1129 8799 de ribbe,6763 die834 van4480 120 genomen had,3947 8804 tot een vrouw,802 en bracht935 8686 haar tot413 .120 Toen zeide559 8799 :120 Deze2063 [is] ditmaal6471 been6106 van4480 mijn benen,6106 en vlees1320 van4480 mijn vlees!1320 zal haar2063 Manninne802 heten,7121 8735 omdat3588 zij2063 uit4480 den man376 genomen is.3947 8795 Daarom3651 5921 zal de man376 zijn vader1 en zijn moeder517 verlaten,5800 8799 en zijn vrouw802 aankleven;1692 8804 en zij zullen tot een259 vlees1320 zijn.1961 8799 En zij waren1961 8799 beiden8147 naakt,6174 120 en zijn vrouw;802 en zij schaamden zich954 8709 niet.3808