Hosea
Hosea 1
Statenvertaling (1637) · tap any highlighted word for context
Hosea 1 — Scripture text (Statenvertaling (1637))
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot , den zoon van , in de dagen van , , Achaz, Hizkia, koningen van , en in de dagen van , zoon van , koning van . Het begin van het woord des HEEREN door . De HEERE zeide tot : Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE. Zo ging hij henen, en nam , een dochter van ; en zij ontving; en baarde hem een zoon. En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam , want nog een weinig [tijds], zo zal Ik de bloedschulden van bezoeken over het huis van , en zal het koninkrijk van het huis van doen ophouden. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik boog verbreken zal, in het dal van . En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en zeide tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal voortaan niet meer ontfermen over het huis , maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. Maar over het huis van zal Ik ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. En zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt volk niet, zo zal Ik [ook] de uwe niet zijn. Nochtans zal het getal der kinderen zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden . En de kinderen van , en de kinderen zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van zal groot zijn.