Psalms 104:26
“Daar wandelen1980 8762 de schepen,591 [en] de Leviathan,3882 dien Gij geformeerd hebt,3335 8804 [om] daarin te spelen.7832 8763”
Psalms 104:26 — Statenvertaling (1637)
Verse 26 of 35 in Psalms chapter 104 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Psalms 104 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Loof1288 8761 den HEERE,3068 mijn ziel!5315 O HEERE,3068 mijn God!430 zijt zeer3966 groot,1431 8804 zijt bekleed3847 8804 met majesteit1935 en heerlijkheid.1926 Hij bedekt Zich5844 8802 met het licht,216 als met een kleed;8008 rekt5186 8802 den hemel8064 uit als een gordijn.3407 Die opperzalen5944 zoldert7136 8764 in de wateren,4325 van de wolken5645 wagen7398 maakt,7760 8802 op de vleugelen3671 des winds7307 wandelt.1980 8764 Hij maakt6213 8802 engelen4397 geesten,7307 dienaars8334 8764 tot een vlammend3857 8802 vuur.784 Hij heeft de aarde776 gegrond3245 8804 op haar grondvesten;4349 zij zal nimmermeer5769 noch eeuwiglijk5703 wankelen.4131 8735 Gij hadt ze met den afgrond8415 als een kleed3830 overdekt;3680 8765 de wateren4325 stonden5975 8799 boven de bergen.2022 Van4480 Uw schelden1606 vloden zij,5127 8799 zij haastten zich2648 8735 weg voor de stem6963 donders.7482 De bergen2022 rezen op,5927 8799 de dalen1237 daalden,3381 8799 ter plaatse,4725 die2088 voor hen gegrond hadt.3245 8804 Gij hebt een paal1366 gesteld,7760 8804 dien zij niet overgaan zullen;5674 8799 zij zullen de aarde776 niet weder7725 8799 bedekken.3680 8763 Die de fonteinen4599 uitzendt7971 8764 door de dalen,5158 dat zij tussen de gebergten2022 henen wandelen.1980 8762 Zij drenken8248 8686 al het gedierte2416 des velds;7704 de woudezels6501 breken7665 8799 er hun dorst6772 [mede]. Bij dezelve woont7931 8799 het gevogelte5775 des hemels,8064 een stem6963 gevende5414 8799 van tussen996 de takken.6073 Hij drenkt8248 8688 de bergen2022 uit opperzalen;5944 de aarde776 wordt verzadigd7646 8799 van de vrucht6529 werken.4639 Hij doet het gras2682 uitspruiten6779 8688 voor de beesten,929 en het kruid6212 tot dienst5656 des mensen,120 doende het brood3899 uit de aarde776 voortkomen.3318 8687 En den wijn,3196 die het hart3824 des mensen582 verheugt,8055 8762 doende het aangezicht6440 blinken6670 8687 van olie;8081 en het brood,3899 dat het hart3824 des mensen582 sterkt.5582 8799 De bomen6086 des HEEREN3068 worden verzadigd,7646 8799 de cederbomen730 van ,3844 die geplant heeft;5193 8804 Alwaar de vogeltjes6833 nestelen;7077 8762 des ooievaars2624 huis1004 zijn de dennebomen.1265 De hoge1364 bergen2022 zijn voor de steenbokken;3277 de steenrotsen5553 zijn een vertrek4268 voor de konijnen.8227 Hij heeft de maan3394 gemaakt6213 8804 tot de gezette tijden,4150 de zon8121 weet3045 8804 haar ondergang.3996 Gij beschikt7896 8799 de duisternis,2822 en het wordt nacht,3915 in denwelken al het gedierte2416 des wouds3293 uittreedt:7430 8799 De jonge leeuwen,3715 briesende7580 8802 om een roof,2964 en om hun spijs400 van God410 te zoeken.1245 8763 De zon8121 opgaande,2224 8799 maken zij zich weg,622 8735 en liggen neder7257 8799 in hun holen.4585 De mens120 gaat [] uit3318 8799 tot zijn werk,6467 en naar zijn arbeid5656 tot den avond6153 toe. Hoe groot7231 8804 zijn Uw werken,4639 o HEERE!3068 hebt ze alle met wijsheid2451 gemaakt;6213 8804 het aardrijk776 is vol4390 8804 van Uw goederen.7075 Deze zee,3220 die groot1419 en wijd7342 van ruimte3027 is, daarin is het wriemelende gedierte,7431 en dat zonder getal,4557 kleine6996 gedierten2416 met grote.1419 Daar wandelen1980 8762 de schepen,591 [en] de ,3882 dien geformeerd hebt,3335 8804 [om] daarin te spelen.7832 8763 Zij allen wachten7663 8762 op U, dat [hun] hun spijze400 geeft5414 8800 te zijner tijd.6256 Geeft Gij5414 8799 ze hun, zij vergaderen3950 8799 ze; doet Uw hand3027 open,6605 8799 zij worden met goed2896 verzadigd.7646 8799 Verbergt Gij5641 8686 Uw aangezicht,6440 zij worden verschrikt;926 8735 neemt hun adem7307 weg,622 8799 zij sterven,1478 8799 en zij keren weder7725 8799 tot hun stof.6083 Zendt Gij7971 8762 Uw Geest7307 uit, zo worden zij geschapen,1254 8735 en vernieuwt2318 8762 het gelaat6440 des aardrijks.127 De heerlijkheid3519 des HEEREN3068 zij tot in der eeuwigheid;5769 de HEERE3068 verblijde Zich8055 8799 in werken.4639 Als de aarde776 aanschouwt,5027 8688 zo beeft zij;7460 8799 als de bergen2022 aanroert,5060 8799 zo roken zij.6225 8799 Ik zal den HEERE3068 zingen7891 8799 in mijn leven;2416 ik zal mijn God430 psalmzingen,2167 8762 terwijl ik nog ben.5750 Mijn overdenking7879 van zal zoet zijn;6149 8799 ik zal mij in den HEERE3068 verblijden.8055 8799 De zondaars2400 zullen van de aarde776 verdaan worden,8552 8735 en de goddelozen7563 zullen niet meer zijn. Loof1288 8761 den HEERE,3068 mijn ziel!5315 !1984 8761 3050