1 Chronicles 14:10
“Toen vraagde7592 8799 David1732 God,430 zeggende:559 8800 Zal ik optrekken5927 8799 tegen5921 de Filistijnen,6430 en zult Gij hen in mijn hand3027 geven?5414 8804 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot hem: Trek op,5927 8798 want Ik zal hen in uw hand3027 geven.5414 8804”
1 Chronicles 14:10 — Statenvertaling (1637)
Verse 10 of 17 in 1 Chronicles chapter 14 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
1 Chronicles 14 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Toen zond7971 8799 ,2438 8676 2361 de koning4428 van ,6865 boden4397 tot413 ,1732 en cederenhout,6086 730 en metselaars,7023 en timmerlieden,2796 dat zij hem een huis1004 bouwden.1129 8800 En 1732 merkte,3045 8799 dat3588 hem de HEERE3068 tot koning4428 bevestigd had3559 8689 over5921 ;3478 want3588 zijn koninkrijk4438 werd ten hoogste4605 verheven,5375 8738 om5668 volks5971 Israels3478 wil. En 1732 nam3947 8799 meer5750 vrouwen802 te ,3389 en 1732 gewon3205 8686 meer5750 zonen1121 en dochteren.1323 Dit428 nu zijn de namen8034 der kinderen,3205 8803 die834 hij te Jeruzalem3389 had:1961 8804 ,8051 en ,7727 5416 en ,8010 En ,2984 en ,474 en ,467 En ,5052 en ,5298 en ,3309 En ,476 en ,1182 en .467 Toen de Filistijnen6430 hoorden,8085 8799 dat3588 1732 tot koning4428 gezalfd was4886 8738 over5921 het ganse3605 ,3478 zo togen5927 al3605 de Filistijnen6430 op5927 8799 om 1732 te zoeken.1245 8763 1732 dat hoorde8085 8799 zo toog hij uit3318 8799 tegen6440 hen. Toen de Filistijnen6430 kwamen,935 8804 zo spreidden zij zich uit6584 8799 in de laagte6010 van .7497 Toen vraagde7592 8799 1732 God,430 zeggende:559 8800 ik optrekken5927 8799 tegen5921 de ,6430 en zult hen in mijn hand3027 geven?5414 8804 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot hem: Trek op,5927 8798 want Ik zal hen in uw hand3027 geven.5414 8804 Toen zij nu optogen5927 8799 naar -perazim,1188 zo sloeg5221 8686 hen 1732 daar;8033 en 1732 zeide:559 8799 God430 heeft mijn vijanden341 8802 door mijn hand3027 gescheurd,6555 8804 als een scheur6556 der wateren;4325 daarom5921 3651 noemden zij7121 8804 den naam8034 derzelver1931 plaats4725 -perazim.1188 En daar8033 lieten zij5800 8799 hun goden;430 en 1732 gebood,559 8799 en zij werden met vuur784 verbrand.8313 8735 Doch de Filistijnen6430 voeren3254 nog5750 voort,3254 8686 en zij verspreidden zich6584 8799 in dat dal.6010 En 1732 vraagde7592 8799 God430 nog eens;5750 en God430 zeide559 8799 tot hem: Gij zult niet3808 optrekken5927 8799 achter310 hen heen; [maar] omsingel5437 8685 hen van4480 boven,5921 en kom935 8804 tot hen tegenover4480 4136 de moerbezienbomen.1057 En het zal geschieden,1961 8799 als gij hoort8085 8800 het geruis6963 van een gang6807 in de toppen7218 der moerbezienbomen,1057 kom3318 227 uit3318 8799 ten strijde;4421 want3588 God430 zal voor uw aangezicht6440 uitgegaan zijn,3318 8804 om het leger4264 der Filistijnen6430 te slaan.5221 8687 1732 nu deed,6213 8799 gelijk als834 hem God430 geboden had;6680 8765 en zij sloegen5221 8686 het heir4264 der Filistijnen6430 van4480 1391 af tot aan5704 .1507 Alzo ging3318 Davids1732 naam8034 uit3318 8799 in al3605 die landen;776 en de HEERE3068 gaf5414 8804 verschrikking6343 over5921 al3605 die heidenen.1471