1 Kings 17:6
“En de raven6158 brachten935 8688 hem des morgens1242 brood3899 en vlees,1320 desgelijks brood3899 en vlees1320 des avonds;6153 en hij dronk8354 8799 uit4480 de beek.5158”
1 Kings 17:6 — Statenvertaling (1637)
Verse 6 of 24 in 1 Kings chapter 17 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
1 Kings 17 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En ,452 de ,8664 van de inwoneren8453 van ,1568 zeide559 8799 tot413 :256 [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE,3068 de God430 ,3478 leeft,2416 voor Wiens834 aangezicht6440 ik sta,5975 8804 indien518 deze428 jaren8141 dauw2919 of regen4306 zijn zal,1961 8799 tenzij 3588 518 naar6310 mijn woord!1697 Daarna geschiedde1961 8799 het woord1697 des HEEREN3068 tot413 hem, zeggende:559 8800 Ga weg3212 8798 van4480 hier,2088 en wend u6437 8804 naar het oosten,6924 en verberg u5641 8738 aan de beek5158 ,3747 die834 voor5921 aan6440 de Jordaan3383 is. En het zal geschieden,1961 8804 dat gij uit4480 de beek5158 drinken zult;8354 8799 en Ik heb de 6158 geboden,6680 8765 dat zij u daar8033 onderhouden zullen.3557 8771 Hij ging heen,3212 8799 en deed6213 8799 naar het woord1697 des HEEREN;3068 want hij ging3212 8799 en woonde3427 8799 bij de beek5158 ,3747 die834 voor5921 aan6440 de Jordaan3383 is. En de 6158 brachten935 8688 hem des morgens1242 brood3899 en vlees,1320 desgelijks brood3899 en vlees1320 des avonds;6153 en hij dronk8354 8799 uit4480 de beek.5158 En het geschiedde1961 8799 ten4480 einde7093 van [vele] dagen,3117 dat de beek5158 uitdroogde;3001 8799 want3588 geen3808 regen1653 was in het land776 geweest.1961 8804 Toen geschiedde1961 8799 het woord1697 des HEEREN3068 tot413 hem, zeggende:559 8800 Maak u op,6965 8798 ga heen3212 8798 naar ,6886 dat834 bij 6721 is, en woon3427 8804 aldaar;8033 zie,2009 Ik heb daar8033 een weduwvrouw490 802 geboden,6680 8765 dat zij u onderhoude.3557 8771 Toen maakte hij zich op,6965 8799 en ging3212 8799 naar .6886 hij nu aan413 de poort6607 der stad5892 kwam,935 8799 ziet,2009 zo was daar8033 een weduwvrouw,490 802 hout6086 lezende;7197 8781 en hij riep7121 8799 tot413 haar, en zeide:559 8799 Haal3947 8798 mij toch4994 een weinig4592 waters4325 in dit vat,3627 dat ik drinke.8354 8799 Toen zij nu heenging3212 8799 om te halen,3947 8800 zo riep hij7121 8799 tot haar, en zeide:559 8799 Haal3947 8798 mij toch [ook] een bete6595 broods3899 in uw hand.3027 Maar zij zeide:559 8799 [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE,3068 uw God,430 leeft,2416 indien518 ik een koek4580 heb,3426 alleen3588 518 een hand3709 vol4393 meels7058 in de kruik,3537 en een weinig4592 olie8081 in de fles!6835 En zie2009 ik heb een paar8147 houten6086 gelezen,7197 8781 en ik ga heen,935 8804 en zal het voor mij en voor mijn zoon1121 bereiden,6213 8804 dat wij het eten,398 8804 en sterven.4191 8804 En Elia452 zeide559 8799 tot413 haar: Vrees3372 8799 niet,408 ga heen,935 8798 doe6213 8798 naar uw woord;1697 maar389 maak6213 8798 mij vooreerst7223 een kleinen6996 koek5692 daarvan,4480 8033 en breng3318 mij dien hier uit;3318 8689 doch voor u en uw zoon1121 zult gij daarna314 [wat] maken.6213 8799 Want3588 zo3541 zegt559 8804 de HEERE,3068 de God430 :3478 meel7058 van de kruik3537 zal niet3808 verteerd worden,3615 8799 en de olie8081 der fles6835 zal niet3808 ontbreken,2637 8799 tot op5704 den dag,3117 dat de HEERE3068 regen1653 op5921 den aardbodem6440 127 geven zal.5414 8800 En zij ging heen,3212 8799 en deed6213 8799 naar het woord1697 van ;452 zo at zij,398 8799 en hij,1931 en haar huis,1004 [vele] dagen.3117 Het meel7058 van de kruik3537 werd niet3808 verteerd,3615 8804 en de olie8081 van de fles6835 ontbrak2638 niet,3808 naar het woord1697 des HEEREN,3068 dat834 gesproken had1696 8765 door den dienst3027 van .452 En het geschiedde1961 8799 na310 deze428 dingen,1697 dat de zoon1121 dezer vrouw,802 der waardin1172 van het huis,1004 krank werd;2470 8804 en zijn krankheid2483 werd1961 8799 zeer3966 sterk,2389 totdat5704 834 geen3808 adem5397 in hem overgebleven was.3498 8738 En zij zeide559 8799 tot413 :452 Wat4100 heb ik met u te doen, gij man376 ?430 gij bij413 mij ingekomen,935 8804 om mijn ongerechtigheid5771 in gedachtenis te brengen,2142 8687 en om mijn zoon1121 te doden?4191 8687 En hij zeide559 8799 tot413 haar: Geef5414 8798 mij uw zoon.1121 En hij nam3947 8799 hem van4480 haar schoot,2436 en droeg5927 8686 hem boven in413 de opperzaal,5944 waar834 8033 hij zelf1931 woonde,3427 8802 en hij leide hem neder7901 8686 op5921 zijn bed.4296 En hij riep7121 8799 den HEERE3068 aan,413 en zeide:559 8799 HEERE,3068 mijn God,430 hebt ook1571 deze5921 weduwe,490 bij5973 dewelke834 ik589 herberge,1481 8711 zo kwalijk gedaan,7489 8689 dat haar zoon1121 gedood hebt?4191 8687 En hij mat zich4058 8709 driemaal7969 6471 uit over5921 dat kind,3206 en riep7121 8799 den HEERE3068 aan,413 en zeide:559 8799 HEERE,3068 mijn God,430 laat7725 toch4994 de ziel5315 van dit2088 kind3206 in5921 7130 hem wederkomen.7725 8799 En de HEERE3068 verhoorde8085 8799 de stem6963 van ;452 en de ziel5315 van het kind3206 kwam weder7725 8799 in5921 7130 hem, dat het weder levend werd.2421 8799 En Elia452 nam3947 8799 het kind,3206 en bracht het af3381 8686 van4480 de opperzaal5944 in het huis,1004 en gaf5414 8799 het aan zijn moeder;517 en Elia452 zeide:559 8799 ,7200 8798 uw zoon1121 leeft.2416 Toen zeide559 8799 die vrouw802 tot413 :452 Nu6258 2088 weet ik,3045 8804 dat3588 gij859 een man376 Gods430 zijt, en dat het woord1697 des HEEREN3068 in uw mond6310 waarheid571 is.