1 Samuel 9:19
“En Samuel8050 antwoordde6030 8799 Saul7586 en zeide:559 8799 Ik595 ben de ziener;7200 8802 ga op5927 8798 voor mijn aangezicht6440 op de hoogte,1116 dat gijlieden heden3117 met5973 mij eet;398 8804 zo zal ik u morgen vroeg1242 laten gaan,7971 8765 en alles,3605 wat834 in uw hart3824 is, zal ik u te kennen geven.5046 8686”
1 Samuel 9:19 — Statenvertaling (1637)
Verse 19 of 27 in 1 Samuel chapter 9 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
1 Samuel 9 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Er was1961 8799 nu een man376 van4480 ,1144 wiens naam8034 was ,7027 een zoon1121 van ,22 den zoon1121 van ,6872 den zoon1121 van ,1064 den zoon1121 van ,647 den zoon1121 eens mans376 van ,1145 een dapper2428 held.1368 Die had1961 8804 een zoon,1121 wiens naam8034 was ,7586 een jongeling,970 en schoon,2896 ja, er was geen369 schoner2896 man376 4480 hij onder4480 de kinderen1121 ;3478 van4480 zijn schouderen7926 en opwaarts4605 was hij hoger1364 4480 al3605 het volk.5971 De ezelinnen860 nu van ,7027 den vader1 van ,7586 waren verloren;6 8799 daarom zeide559 8799 Kis7027 tot413 zijn zoon1121 :7586 Neem3947 8798 nu4994 een259 van de jongens5288 met854 u, en maak u op,6965 8798 ga heen,3212 8798 zoek1245 8761 de ezelinnen.860 Hij ging door5674 8799 het gebergte2022 van ,669 en hij ging door5674 8799 het land776 van ,8031 maar zij vonden4672 8804 ze niet;3808 daarna gingen zij door5674 8799 het land776 van ,8171 maar zij waren er niet;369 verder ging hij door5674 8799 het land776 van ,1145 doch zij vonden4672 8804 ze niet.3808 Toen zij1992 in het land776 van Zuf6689 kwamen,935 8804 zeide559 8804 7586 tot413 zijn jongen,5288 die bij5973 hem was: Kom3212 8798 en laat ons wederkeren;7725 8799 dat niet misschien6435 mijn vader1 van4480 de ezelinnen860 aflate,2308 8799 en voor ons bekommerd zij.1672 8804 Hij daarentegen zeide559 8799 tot hem: Zie2009 toch,4994 er is een man376 Gods430 in deze2063 stad,5892 en hij is een geeerd3513 8737 man;376 al3605 wat834 hij spreekt,1696 8762 dat komt935 8799 zekerlijk;935 8800 laat ons nu6258 derwaarts8033 gaan,3212 8799 misschien194 zal hij ons onzen weg1870 aanwijzen,5046 8686 op5921 denwelken834 wij gaan zullen.1980 8804 Toen zeide559 8799 7586 tot zijn jongen:5288 zie,2009 zo wij gaan,3212 8799 wat4100 zullen wij toch dien man376 brengen?935 8686 Want3588 het brood3899 is weg235 8804 uit4480 onze vaten,3627 en wij hebben geen369 gaven,8670 om den man376 Gods430 te brengen;935 8687 wat4100 hebben854 wij? En de jongen5288 antwoordde6030 8800 7586 verder3254 8686 en zeide:559 8799 ,2009 er vindt zich4672 8738 in mijn hand3027 het vierendeel7253 eens zilveren3701 sikkels;8255 dat zal ik den man376 Gods430 geven,5414 8804 opdat hij ons onzen weg1870 wijze.5046 8689 (Eertijds6440 zeide559 8804 een ieder376 aldus3541 in ,3478 als hij ging3212 8800 om God430 te vragen:1875 8800 Komt3212 8798 en laat ons gaan3212 8799 tot5704 den ziener;7200 8802 want3588 die heden3117 een profeet5030 [genoemd] [wordt], die werd eertijds6440 een ziener7200 8802 genoemd.7121 8735) Toen zeide1697 7586 tot zijn jongen:5288 Uw woord559 8799 is goed,2896 kom,3212 8798 laat ons gaan.3212 8799 En zij gingen3212 8799 naar413 de stad,5892 waar834 8033 de man376 Gods430 was. Als zij1992 opklommen5927 8802 door den opgang4608 der stad,5892 zo vonden4672 8804 zij1992 maagden,5291 die uitgingen3318 8802 om water4325 te putten;7579 8800 en zij zeiden559 8799 tot haar: Is3426 de ziener7200 8802 hier?2088 Toen antwoordden zij6030 8799 hun,853 en zeiden:559 8799 ,2009 hij is3426 voor uw aangezicht;6440 haast u4116 8761 nu,6258 want3588 hij is heden3117 in de stad5892 gekomen,935 8804 dewijl3588 het volk5971 heden3117 een offerande2077 heeft op de hoogte.1116 Wanneer gijlieden in de stad5892 komt,935 8800 zo3651 zult gij hem853 vinden,4672 8799 eer2962 hij opgaat5927 8799 op de hoogte1116 om te eten;398 8800 want3588 het volk5971 zal niet3808 eten,398 8799 totdat5704 hij komt,935 8800 want3588 hij1931 zegent1288 8762 het offer,2077 daarna310 3651 eten398 8799 de genodigden;7121 8803 daarom gaat5927 nu6258 op,5927 8798 want3588 hem,853 als heden3117 zult gij hem853 vinden.4672 8799 Alzo gingen5927 zij1992 op5927 8799 in8432 de stad.5892 zij in het midden der stad5892 kwamen,935 8802 ziet,2009 zo ging3318 8050 uit3318 8802 hun tegemoet,7125 8800 om op te gaan5927 8800 naar de hoogte.1116 Want de HEERE3068 had het [voor] Samuels8050 oor241 geopenbaard,1540 8804 een259 dag3117 eer6440 7586 kwam,935 8800 zeggende:559 8800 Morgen4279 omtrent dezen tijd6256 zal Ik tot413 u zenden7971 8799 een man376 uit4480 het land776 van ,1144 dien zult gij ten voorganger5057 zalven4886 8804 over5921 volk5971 ;3478 en hij zal volk5971 verlossen3467 8689 uit4480 der Filistijnen6430 hand,3027 want3588 Ik heb volk5971 aangezien,7200 8804 dewijl3588 deszelfs geroep6818 tot413 gekomen is.935 8804 Toen 8050 7586 aanzag,7200 8804 zo antwoordde6030 8804 hem de HEERE:3068 ,2009 dit2088 is de man,376 van welken834 Ik u413 gezegd heb:559 8804 zal over volk5971 heersen.6113 8799 En 7586 naderde5066 8799 tot 8050 in het midden8432 der poort,8179 en zeide:559 8799 Wijs5046 8685 mij toch,4994 waar335 is hier2088 het huis1004 des zieners?7200 8802 En 8050 antwoordde6030 8799 7586 en zeide:559 8799 Ik595 ben de ziener;7200 8802 ga op5927 8798 voor mijn aangezicht6440 op de hoogte,1116 dat gijlieden heden3117 met5973 mij eet;398 8804 zo zal ik u morgen vroeg1242 laten gaan,7971 8765 en alles,3605 wat834 in uw hart3824 is, zal ik u te kennen geven.5046 8686 Want de ezelinnen860 aangaande, die gij heden3117 den derden7969 dag3117 verloren hebt,6 8802 zet7760 8799 uw hart3820 daarop niet,408 want3588 zij zijn gevonden;4672 8738 en wiens4310 zal zijn al3605 het gewenste,2532 dat in 3478 is? Is het niet3808 van u, en van het ganse3605 huis1004 uws vaders?1 Toen antwoordde6030 8799 ,7586 en zeide:559 8799 ik595 niet3808 een zoon1121 van ,1145 van4480 den kleinsten6996 der stammen7626 van ?3478 en mijn geslacht4940 [is] [het] [niet] het kleinste6810 van4480 al3605 de geslachten4940 van den stam7626 van ?1144 Waarom4100 spreekt gij1696 8765 mij aan413 met zulke2088 woorden?1697 8050 nam3947 8799 7586 en zijn jongen,5288 en hij bracht935 8686 ze in de kamer;3957 en hij gaf5414 8799 hun plaats4725 aan het opperste7218 der genodigden;7121 8803 die1992 nu waren omtrent dertig7970 man.376 Toen zeide559 8799 8050 tot den kok:2876 Lang5414 8798 dat stuk,4490 hetwelk834 Ik u gegeven heb,5414 8804 waarvan834 ik tot413 u zeide:559 8804 Zet7760 het853 bij5973 u weg.7760 8798 De kok2876 nu bracht7311 8686 een schouder7785 op, met wat daaraan was, en zette7760 8799 het voor6440 ;7586 en hij zeide:559 8799 ,2009 dit is het overgeblevene;7604 8737 zet7760 8798 het voor6440 u, eet,398 8798 want3588 het is ter bestemder tijd4150 voor u bewaard,8104 8803 als ik zeide:559 8800 Ik heb het volk5971 genodigd.7121 8804 at398 8799 7586 met5973 8050 op dien1931 dag.3117 Daarna gingen zij af3381 8799 van4480 de hoogte1116 in de stad;5892 en hij sprak1696 8762 met5973 7586 op5921 het dak.1406 En zij stonden vroeg op;7925 8686 en het geschiedde,1961 8799 omtrent den opgang5927 8800 des dageraads,7837 zo riep7121 8799 8050 413 7586 op het dak,1406 zeggende:559 8800 op,6965 8798 dat ik u gaan late.7971 8762 stond6965 7586 op,6965 8799 en zij beiden8147 gingen uit,3318 8799 hij1931 en ,8050 naar buiten.2351 Toen zij1992 afgegaan waren3381 8802 aan het einde7097 der stad,5892 zo zeide559 8804 8050 tot413 :7586 Zeg559 8798 den jongen,5288 dat hij voor onze aangezichten6440 heenga;5674 8799 toen ging hij heen;5674 8798 maar sta gij859 5975 als nu3117 stil,5975 8798 en ik zal u Gods430 woord1697 doen horen.8085 8686