2 Samuel 1:5
“En David1732 zeide559 8799 tot413 den jongen,5288 die hem de boodschap bracht:5046 8688 Hoe349 weet gij,3045 8804 dat3588 Saul7586 dood is,4191 8804 en zijn zoon1121 Jonathan?3083”
2 Samuel 1:5 — Statenvertaling (1637)
Verse 5 of 27 in 2 Samuel chapter 1 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
2 Samuel 1 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Voorts geschiedde1961 8799 het na310 Sauls7586 dood,4194 als 1732 van4480 den slag5221 8687 der Amalekieten6002 was wedergekomen,7725 8804 en 1732 twee8147 dagen3117 te 6860 gebleven was;3427 8799 Zo geschiedde1961 8799 het op den derden7992 dag,3117 dat, ziet,2009 uit4480 het heirleger4264 van4480 5973 ,7586 een man376 kwam,935 8802 wiens klederen899 gescheurd waren,7167 8803 en aarde127 was op5921 zijn hoofd;7218 en het geschiedde,1961 8799 als hij tot413 1732 kwam,935 8800 zo viel hij5307 8799 ter aarde776 en boog zich neder.7812 8691 En 1732 zeide559 8799 tot hem: Van4480 2088 waar335 komt gij?935 8799 En hij zeide559 8799 tot413 hem: Ik ben ontkomen4422 8738 uit4480 het heirleger4264 van .3478 Voorts zeide559 8799 1732 tot413 hem: Wat4100 is1961 8804 de zaak?1697 Verhaal5046 8685 het mij toch.4994 En hij zeide,559 8799 dat834 het volk5971 uit4480 den strijd4421 gevloden was,5127 8804 en dat er ook1571 velen7235 8687 van4480 het volk5971 gevallen5307 8804 en gestorven waren,4191 8799 dat ook1571 7586 en zijn zoon1121 3083 dood waren.4191 8804 En 1732 zeide559 8799 tot413 den jongen,5288 die hem de boodschap bracht:5046 8688 Hoe349 weet gij,3045 8804 dat3588 7586 dood is,4191 8804 en zijn zoon1121 ?3083 Toen zeide559 8799 de jongen,5288 die hem de boodschap bracht:5046 8688 Ik kwam7136 8738 bij geval7122 8736 op het gebergte2022 van ;1533 en ziet,2009 7586 leunde8172 8737 op5921 zijn spies;2595 en ziet,2009 de wagens7393 en ritmeesters1167 6571 hielden dicht1692 8689 op hem. Zo zag hij6437 8799 achter310 zich om, en zag7200 8799 mij, en hij riep7121 8799 mij,413 en ik zeide:559 8799 ,2009 [hier] ben ik. En hij zeide559 8799 tot mij: Wie4310 zijt gij?859 En ik zeide559 8799 tot413 hem: Ik595 ben een .6003 Toen zeide hij559 8799 tot413 mij: Sta5975 8798 toch4994 bij5921 mij, en dood4191 8786 mij; want3588 deze malienkolder7661 heeft mij opgehouden;270 8804 want3588 mijn leven5315 is nog5750 gans3605 in mij. Zo stond ik5975 8799 bij5921 hem, en doodde4191 8787 hem; want3588 ik wist,3045 8804 dat3588 hij na310 zijn val5307 8800 niet3808 leven zou;2421 8799 en ik nam3947 8799 de kroon,5145 die834 op5921 zijn hoofd7218 was, en het armgesmijde,685 dat834 aan5921 zijn arm2220 was, en heb ze hier2008 tot413 mijn heer113 gebracht.935 8686 Toen vatte2388 8686 1732 zijn klederen899 en scheurde7167 8799 ze; desgelijks ook1571 al3605 de mannen,582 die834 met854 hem waren. En zij weeklaagden,5594 8799 en weenden,1058 8799 en vastten6684 8799 tot op5704 den avond,6153 over5921 7586 en over5921 ,3083 zijn zoon,1121 en over5921 het volk5971 des HEEREN,3068 en over5921 het huis1004 ,3478 omdat3588 zij door het zwaard2719 gevallen waren.5307 8804 Voorts zeide559 8799 1732 tot413 den jongen,5288 die hem de boodschap gebracht had:5046 8688 Van4480 2088 waar335 zijt gij?859 En hij zeide:559 8799 Ik595 ben de zoon1121 van een vreemden1616 man,376 van een .6003 En 1732 zeide559 8799 tot413 hem: Hoe,349 hebt gij niet3808 gevreesd3372 8804 uw hand3027 uit te strekken,7971 8800 om den gezalfde4899 des HEEREN3068 te verderven?7843 8763 En 1732 riep7121 8799 een259 van4480 de jongens,5288 en zeide:559 8799 toe,5066 8798 val op hem aan.6293 8798 En hij sloeg5221 8686 hem, dat hij stierf.4191 8799 En 1732 zeide559 8799 tot413 hem: Uw bloed1818 zij op5921 uw hoofd;7218 want3588 uw mond6310 heeft tegen u getuigd,6030 8804 zeggende:559 8800 ik595 heb den gezalfde4899 des HEEREN3068 gedood.4191 8790 1732 nu klaagde6969 8787 deze2063 klage7015 over5921 7586 en over5921 ,3083 zijn zoon;1121 Als hij gezegd had,559 8799 dat men den kinderen1121 van Juda3063 den boog7198 zou leren;3925 8763 ziet,2009 het is geschreven3789 8803 in5921 het boek5612 des .3477 O Sieraad6643 van ,3478 op5921 uw hoogten1116 is hij verslagen;2491 hoe349 zijn de helden1368 gevallen!5307 8804 Verkondigt5046 8686 het niet408 te ,1661 boodschapt1319 8762 het niet408 op de straten2351 van ;831 opdat6435 de dochters1323 der Filistijnen6430 zich niet6435 verblijden,8055 8799 opdat6435 de dochters1323 der onbesnedenen6189 niet6435 opspringen van vreugde.5937 8799 Gij, bergen2022 van ,1533 noch408 dauw2919 noch408 regen4306 moet zijn op5921 u, noch velden7704 der hefofferen;8641 want3588 aldaar8033 is der helden1368 schild4043 smadelijk weggeworpen,1602 8738 het schild4043 van ,7586 alsof hij niet1097 gezalfd4899 ware geweest met olie.8081 Van4480 het bloed1818 der verslagenen,2491 van4480 het vette2459 der helden,1368 werd Jonathans3083 boog7198 niet3808 achterwaarts268 gedreven;7734 8738 en Sauls7586 zwaard2719 keerde7725 niet3808 ledig7387 weder.7725 8799 7586 en ,3083 die beminden,157 8737 en die liefelijken5273 in hun leven,2416 zijn ook in hun dood4194 niet3808 gescheiden;6504 8738 zij waren lichter7043 8804 4480 arenden,5404 zij waren sterker1396 8804 4480 leeuwen.738 Gij, dochteren1323 ,3478 weent1058 8798 over413 ;7586 die u kleedde3847 8688 met5973 scharlaken,8144 met weelde;5730 die u sieraad5716 van goud2091 deed dragen5927 8688 over5921 uw kleding.3830 Hoe349 zijn de helden1368 gevallen5307 8804 in het midden8432 van den strijd!4421 3083 is verslagen2491 op5921 uw hoogten!1116 Ik ben benauwd6887 8804 om5921 uwentwil, mijn broeder251 !3083 waart mij zeer3966 liefelijk;5276 8804 uw liefde160 was mij wonderlijker6381 8738 4480 liefde160 der vrouwen.802 Hoe349 zijn de helden1368 gevallen,5307 8804 en de krijgswapenen3627 4421 verloren!6 8799