Daniel 1:7
“En de overste8269 der kamerlingen5631 gaf7760 8799 hun [andere] namen,8034 en Daniel1840 noemde hij7760 8799 Beltsazar,1095 en Hananja2608 Sadrach,7714 en Misael4332 Mesach,4335 en Azarja5838 Abed-nego.5664”
Daniel 1:7 — Statenvertaling (1637)
Verse 7 of 21 in Daniel chapter 1 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Daniel 1 — full chapter (Statenvertaling (1637))
In het derde7969 jaar8141 des koninkrijks4438 van ,3079 den koning4428 van ,3063 kwam935 8804 ,5019 de koning4428 van ,894 te ,3389 en belegerde6696 8799 haar. En de HEERE136 gaf5414 8799 ,3079 den koning4428 van ,3063 in zijn hand,3027 en een deel7117 der vaten3627 van het huis1004 ;430 en hij bracht935 8686 ze in het land776 van ,8152 [in] het huis1004 zijns gods;430 en de vaten3627 bracht hij935 8689 in het schathuis214 1004 zijns gods.430 En de koning4428 zeide559 8799 tot ,828 den overste7227 zijner kamerlingen,5631 dat hij voorbrengen zou935 8687 [enigen] uit de kinderen1121 ,3478 te weten, uit het koninklijk4410 zaad,2233 en uit de prinsen;6579 Jongelingen,3206 aan dewelke geen gebrek3971 8675 3971 ware, maar schoon2896 van aangezicht,4758 en vernuftig7919 8688 in alle wijsheid,2451 en ervaren3045 8802 in wetenschap,1847 en kloek995 8688 van verstand,4093 en in dewelke bekwaamheid3581 ware, om te staan5975 8800 in des konings4428 paleis;1964 en dat men hen onderwees3925 8763 in de boeken5612 en spraak3956 der .3778 En de koning4428 verordende4487 8762 hun, wat men ze dag3117 bij dag3117 geven zou van de stukken1697 der spijs6598 des konings,4428 en van den wijn3196 zijns dranks,4960 en dat men hen drie7969 jaren8141 [alzo] optoog,1431 8763 en dat zij ten einde7117 derzelve zouden staan5975 8799 voor het aangezicht6440 des konings.4428 Onder dezelve nu waren uit de kinderen1121 van :3063 ,1840 ,2608 Misael4332 en .5838 En de overste8269 der kamerlingen5631 gaf7760 8799 hun [andere] namen,8034 en 1840 noemde hij7760 8799 ,1095 en Hananja2608 ,7714 en Misael4332 ,4335 en Azarja5838 -nego.5664 1840 nu nam voor7760 8799 in zijn hart,3820 dat hij zich niet zou ontreinigen1351 8691 met de stukken van de spijs6598 des konings,4428 noch met den wijn3196 zijns dranks;4960 daarom verzocht hij1245 8762 van den overste8269 der kamerlingen,5631 dat hij zich niet mocht ontreinigen.1351 8691 En God430 gaf5414 8799 1840 genade2617 en barmhartigheid7356 voor het aangezicht6440 van den overste8269 der kamerlingen.5631 Want de overste8269 der kamerlingen5631 zeide559 8799 tot :1840 Ik vreze3373 mijn heer,113 den koning,4428 die ulieder spijs,3978 en ulieder drank4960 verordend heeft;4487 8765 want waarom zou hij ulieder aangezichten6440 droeviger2196 8802 zien,7200 8799 der jongelingen,3206 die in gelijkheid1524 met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd7218 bij den koning4428 schuldig maken.2325 8765 Toen zeide559 8799 1840 tot ,4453 dien de overste8269 der kamerlingen5631 gesteld had4487 8765 over ,1840 ,2608 Misael4332 en :5838 Beproef5254 8761 toch uw knechten5650 tien6235 dagen3117 lang, en men geve5414 8799 ons van het gezaaide2235 te eten,398 8799 en water4325 te drinken.8354 8799 En men zie7200 8735 voor uw aangezicht6440 onze gedaanten,4758 en de gedaante4758 der jongelingen,3206 die de stukken van de spijs6598 des konings4428 eten;398 8802 en doe6213 8798 met uw knechten,5650 naar dat gij zien zult.7200 8799 Toen hoorde hij8085 8799 hen in deze zaak,1697 en hij beproefde5254 8762 ze tien6235 dagen.3117 Ten einde7117 nu der tien6235 dagen,3117 zag men,7200 8738 dat hun gedaanten4758 schoner2896 waren, en zij vetter1277 waren van vlees1320 al de jongelingen,3206 die de stukken van de spijze6598 des konings4428 aten.398 8802 Toen geschiedde het, dat Melzar4453 de stukken hunner spijs6598 wegnam,5375 8802 mitsgaders den wijn3196 huns dranks,4960 en hij gaf5414 8802 hun [van] het gezaaide.2235 Aan deze vier702 jongelingen3206 nu gaf5414 8804 God430 wetenschap4093 en verstand7919 8687 in alle boeken,5612 en wijsheid;2451 maar 1840 gaf verstand995 8689 in allerlei gezichten2377 en dromen.2472 Ten einde7117 nu der dagen,3117 waarvan de koning4428 gezegd had,559 8804 dat men hen zou inbrengen,935 8687 zo bracht935 8686 ze de overste8269 der kamerlingen5631 in voor het aangezicht6440 van ,5019 En de koning4428 sprak1696 8762 met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden,4672 8738 gelijk ,1840 ,2608 Misael4332 en ;5838 en zij stonden5975 8799 voor het aangezicht6440 des konings.4428 En [in] alle zaken1697 van verstandige998 wijsheid,2451 die de koning4428 hun afvroeg,1245 8765 zo vond hij4672 8799 hen tienmaal6235 boven3027 al de tovenaars2748 [en] sterrekijkers,825 die in zijn ganse koninkrijk4438 waren. En 1840 bleef tot het eerste259 jaar8141 van den koning4428 Kores3566 toe.