Daniel 8:7
“En ik zag7200 8804 hem, nakende5060 8688 aan681 den ram,352 en hij verbitterde zich4843 8698 tegen hem, en hij stiet5221 8686 den ram,352 en hij brak7665 8762 zijn beide8147 hoornen;7161 en in den ram352 was geen kracht,3581 om voor zijn aangezicht6440 te bestaan;5975 8800 en hij wierp7993 8686 hem ter aarde,776 en hij vertrad7429 8799 hem, en er was niemand, die den ram352 uit zijn hand3027 verloste.5337 8688”
Daniel 8:7 — Statenvertaling (1637)
Verse 7 of 27 in Daniel chapter 8 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Daniel 8 — full chapter (Statenvertaling (1637))
In het derde7969 jaar8141 des koninkrijks4438 van den koning4428 ,1112 verscheen7200 8738 mij een gezicht,2377 mij ,1840 na310 hetgeen mij in het eerste8462 verschenen was.7200 8738 En ik zag7200 8799 een gezicht,2377 (het geschiedde nu, toen ik het zag,7200 8800 dat ik in den burg1002 Susan7800 was, welke in het landschap4082 5867 is) ik zag7200 8799 in een gezicht,2377 dat ik aan den vloed180 Ulai195 was. En ik hief5375 8799 mijn ogen5869 op, en ik zag,7200 8799 en ziet, een259 352 stond5975 8802 voor6440 dien vloed,180 die had twee hoornen,7161 en die twee hoornen7161 waren hoog,1364 en de een259 was hoger1364 de andere,8145 en de hoogste1364 kwam5927 in het laatste314 op.5927 8802 Ik zag,7200 8804 dat de 352 met de hoornen tegen het westen3220 stiet,5055 8764 en tegen het noorden,6828 en tegen het zuiden,5045 en geen dieren2416 konden voor zijn aangezicht6440 bestaan,5975 8799 en er was niemand, die uit zijn hand3027 verloste;5337 8688 maar hij deed6213 8804 naar zijn welgevallen,7522 en hij maakte zich groot.1431 8689 Toen ik [dit] overlegde,995 8688 ziet, er kwam935 8802 een geitenbok5795 6842 van het westen4628 over den gansen aardbodem,6440 776 en roerde5060 de aarde776 niet aan;5060 8802 en die bok6842 had een aanzienlijken2380 hoorn7161 tussen zijn ogen.5869 En hij kwam935 8799 tot den ,352 die de twee hoornen7161 had,1167 dien ik had zien7200 8804 staan5975 8802 voor6440 den vloed;180 en hij liep7323 8799 op hem aan in de grimmigheid2534 zijner kracht.3581 En ik zag7200 8804 hem, nakende5060 8688 aan681 den ,352 en hij verbitterde zich4843 8698 tegen hem, en hij stiet5221 8686 den ,352 en hij brak7665 8762 zijn beide8147 hoornen;7161 en in den 352 was geen kracht,3581 om voor zijn aangezicht6440 te bestaan;5975 8800 en hij wierp7993 8686 hem ter aarde,776 en hij vertrad7429 8799 hem, en er was niemand, die den 352 uit zijn hand3027 verloste.5337 8688 En de geitenbok6842 5795 maakte zich3966 uitermate1431 8689 groot;3966 maar toen hij sterk geworden was,6105 8800 brak7665 8738 die grote1419 hoorn,7161 en er kwamen op5927 8799 aan deszelfs plaats vier702 aanzienlijke,2380 naar de vier702 winden7307 des hemels.8064 En uit een259 van die kwam voort3318 8804 een kleine4704 hoorn,7161 welke uitnemend3499 groot werd,1431 8799 tegen het zuiden,5045 en tegen het oosten,4217 en tegen het sierlijke6643 [land]. En hij werd groot1431 8799 tot aan het heir6635 des hemels;8064 en hij wierp5307 er [sommigen] van dat heir,6635 namelijk van de sterren,3556 ter aarde776 neder,5307 8686 en hij vertrad7429 8799 ze. Ja, hij maakte zich groot1431 8689 tot aan den Vorst8269 diens heirs,6635 en van werd weggenomen7311 8717 8675 7311 8689 het gedurig8548 [offer], en de woning4349 heiligdoms4720 werd nedergeworpen.7993 8717 En het heir6635 werd in den afval6588 overgegeven5414 8735 tegen het gedurig8548 [offer]; en hij wierp7993 8686 de waarheid571 ter aarde;776 en deed6213 8804 het, en het gelukte wel.6743 8689 Daarna hoorde ik8085 8799 een259 heilige6918 spreken;1696 8764 en de259 heilige6918 zeide559 8799 tot den onbenoemde,6422 die daar sprak:1696 8764 hoelang zal dat gezicht2377 van het gedurig8548 [offer] en [van] den verwoestenden8074 8802 afval6588 zijn, dat zo het heiligdom6944 als het heir6635 [ter] vertreding4823 zal overgegeven worden?5414 8800 En hij zeide559 8799 tot mij: Tot twee duizend505 en driehonderd7969 3967 avonden6153 [en] morgens;1242 zal het heiligdom6944 gerechtvaardigd worden.6663 8738 En het geschiedde, toen ik dat gezicht2377 zag,7200 8800 ik ,1840 zo zocht ik1245 8762 het verstand998 [deszelven], en ziet, er stond5975 8802 voor mij als de gedaante4758 eens mans.1397 En ik hoorde8085 8799 tussen Ulai195 eens mensen120 stem,6963 die riep7121 8799 en zeide:559 8799 !1403 geef dezen1975 het gezicht4758 te verstaan.995 8685 En hij kwam935 8799 nevens681 waar ik stond;5977 en als hij kwam,935 8800 verschrikte ik,1204 8738 en viel5307 8799 op mijn aangezicht.6440 zeide hij559 8799 tot mij: Versta,995 8685 gij mensenkind!1121 120 want dit gezicht2377 zal zijn tot den tijd6256 van het einde.7093 Als hij nu met mij sprak,1696 8763 viel ik in een diepen slaap7290 8738 op mijn aangezicht6440 ter aarde;776 toen roerde hij mij aan,5060 8799 en hij stelde5975 8686 mij op mijn standplaats.5977 En hij zeide:559 8799 , ik zal u te kennen geven,3045 8688 wat er geschieden zal ten einde319 dezer gramschap;2195 want ter bestemder tijd4150 zal het einde7093 zijn. De 352 met1167 de twee hoornen,7161 dien gij gezien hebt,7200 8804 zijn de koningen4428 der Meden4074 en der .6539 Die harige8163 bok6842 nu, is de koning4428 van ;3120 en de grote1419 hoorn,7161 welke tussen zijn ogen5869 is, is de eerste7223 koning.4428 Dat er nu vier702 aan zijn plaats stonden,5975 8799 toen hij verbroken was;7665 8737 vier702 koninkrijken4438 zullen uit dat volk1471 ontstaan,5975 8799 doch niet met zijn kracht.3581 Doch op het laatste319 huns koninkrijks,4438 als het de afvalligen6586 8802 op het hoogste gebracht zullen hebben,8552 8687 zo zal er een koning4428 staan,5975 8799 stijf5794 van aangezicht,6440 en raadselen2420 verstaande;995 8688 En zijn kracht3581 zal sterk worden,6105 8804 doch niet door zijn kracht;3581 en hij zal het wonderlijk6381 8737 verderven,7843 8686 en zal geluk hebben,6743 8689 en zal het doen;6213 8804 en hij zal de sterken,6099 mitsgaders het heilige6918 volk5971 verderven;7843 8689 En door zijn kloekheid7922 zo zal hij de bedriegerij4820 doen gedijen6743 8689 in zijn hand;3027 en hij zal zich in zijn hart3824 verheffen;1431 8686 en in stille rust7962 zal hij er velen7227 verderven,7843 8686 en zal staan5975 8799 tegen den Vorst8269 der vorsten,8269 doch hij zal zonder657 hand3027 verbroken worden.7665 8735 Het gezicht4758 nu van avond6153 en morgen,1242 dat er gezegd is,559 8738 is de waarheid;571 en gij, sluit5640 dit gezicht2377 toe,5640 8798 want er zijn nog vele7227 dagen3117 toe. Toen werd ik1961 , ,1840 zwak,1961 8738 en was [enige] dagen3117 krank;2470 8738 daarna stond ik op,6965 8799 en deed6213 8799 des konings4428 werk;4399 en ik was ontzet8074 8709 over dit gezicht;4758 maar niemand merkte995 8688 het.