Deuteronomy 14:20
“Al het rein2889 gevogelte5775 zult gij eten.398 8799”
Deuteronomy 14:20 — Statenvertaling (1637)
Verse 20 of 29 in Deuteronomy chapter 14 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Deuteronomy 14 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Gijlieden zijt kinderen1121 des HEEREN,3068 uws ;430 gij zult uzelven niet snijden,1413 8704 noch kaalheid7144 maken7760 8799 tussen uw ogen,5869 over een dode.4191 8801 Want gij zijt een heilig6918 volk5971 den HEERE,3068 uw God;430 en u heeft de HEERE3068 verkoren,977 8804 om tot een volk5971 des eigendoms5459 te zijn, uit al de volken,5971 die op den aardbodem6440 127 zijn. Gij zult geen gruwel8441 eten.398 8799 Dit zijn de beesten,929 die gijlieden eten zult;398 8799 een os,7794 klein vee7716 der schapen,3775 en klein vee der geiten;5795 Een hert,354 en een ree,6643 en een buffel,3180 en een steenbok,689 en een das,1788 en een wilde os,8377 en een gems.2169 Alle beesten,929 die de klauwen6541 verdelen,6536 8688 en de kloof8156 8802 in twee8147 klauwen6541 klieven,8157 [en] herkauwen5927 8688 1625 onder de beesten,929 die zult gij eten.398 8799 Maar deze zult gij niet eten,398 8799 van degenen, die [alleen] herkauwen,5927 8688 1625 of van degenen, die den gekloofden8156 8803 klauw6541 [alleen] verdelen:6536 8688 den kemel,1581 en den haas,768 en het konijn;8227 want deze herkauwen5927 8688 1625 wel, maar zij verdelen6536 8689 den klauw6541 niet; onrein2931 zullen zij ulieden zijn. Ook het varken;2386 want dat verdeelt6536 8688 zijn klauw6541 wel, maar het herkauwt1625 niet; onrein2931 zal het ulieden zijn; van hun vlees1320 zult gij niet eten,398 8799 en hun dood aas5038 zult gij niet aanroeren.5060 8799 Dit zult gij eten398 8799 van alles, wat in de wateren4325 is; al wat vinnen5579 en schubben7193 heeft, zult gij eten.398 8799 Maar al wat geen vinnen5579 en schubben7193 heeft, zult gij niet eten;398 8799 het zal ulieden onrein2931 zijn. Allen reinen2889 vogel6833 zult gij eten.398 8799 Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten:398 8799 de arend,5404 en de havik,6538 en de zeearend;5822 En de wouw,7201 en de kraai,344 en de gier1772 naar haar aard;4327 En alle rave6158 naar zijn aard;4327 En de struis,1323 3284 en de nachtuil,8464 en de koekoek,7828 en de sperwer5322 naar zijn aard;4327 En de steenuil,3563 en de schuifuit,3244 en de kauw,8580 En de roerdomp,6893 en de pelikaan,7360 en het duikertje;7994 En de ooievaar,2624 en de reiger601 naar zijn aard;4327 en de hop,1744 en de vledermuis;5847 Ook al het kruipend8318 gevogelte5775 zal ulieden onrein2931 zijn; zij zullen niet gegeten worden.398 8735 Al het rein2889 gevogelte5775 zult gij eten.398 8799 Gij zult geen dood aas5038 eten;398 8799 den vreemdeling,1616 die in uw poorten8179 is, zult gij het geven,5414 8799 dat hij het ete,398 8804 of verkoopt4376 8800 het den vreemde;5237 want gij zijt een heilig6918 volk5971 den HEERE,3068 uw God.430 zult het bokje1423 niet koken1310 8762 in de melk2461 zijner moeder.517 Gij zult getrouwelijk6237 8763 vertienen6237 8762 al het inkomen8393 uws zaads,2233 dat elk8141 jaar8141 van het veld7704 voortkomt.3318 8802 En voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 uws ,430 ter plaatse,4725 die verkiezen zal,977 8799 om Naam8034 aldaar te doen wonen,7931 8763 zult gij eten398 8804 de tienden4643 van uw koren,1715 van uw most,8492 en van uw olie,3323 en de eerstgeboorten1062 uwer runderen1241 en uwer schapen;6629 opdat gij den HEERE,3068 uw God,430 leert3925 8799 vrezen3372 8800 alle dagen.3117 Wanneer nog de weg1870 voor u te veel zal zijn,7235 8799 dat3588 gij zulks niet zoudt kunnen3201 8799 heendragen,5375 8800 omdat de plaats4725 te verre van u zal zijn,7368 8799 die de HEERE,3068 uw God,430 verkiezen zal,977 8799 om Naam8034 aldaar te stellen;7760 8800 wanneer de HEERE,3068 uw God,430 u zal gezegend hebben;1288 8762 Zo maak5414 8804 het tot geld,3701 en bindt6696 8804 het geld3701 in uw hand,3027 en gaat1980 8804 naar de plaats,4725 die de HEERE,3068 uw God,430 verkiezen zal;977 8799 En geeft5414 8804 dat geld3701 voor alles, wat uw ziel5315 gelust,183 8762 voor runderen1241 en voor schapen,6629 en voor wijn,3196 en voor sterken drank,7941 en voor alles, wat uw ziel5315 van u begeren zal,7592 8799 en eet398 8804 aldaar voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 uws ,430 en weest vrolijk,8055 8804 gij en uw huis.1004 Maar den ,3881 die in uw poorten8179 is, zult gij niet verlaten;5800 8799 want hij heeft geen deel2506 noch erve5159 met u. Ten einde7097 van drie7969 jaren8141 zult gij voortbrengen3318 8686 alle tienden4643 van uw inkomen,8393 in hetzelve jaar,8141 en gij zult ze wegleggen3240 8689 in uw poorten;8179 Zo zal komen935 8804 de ,3881 dewijl hij geen deel2506 noch erve5159 met u heeft, en de vreemdeling,1616 en de wees3490 en de weduwe,490 die in uw poorten8179 zijn, en zullen eten398 8804 en verzadigd worden;7646 8804 opdat u de HEERE,3068 uw God,430 zegene1288 8762 in al het werk4639 uwer hand,3027 dat gij doen zult.6213 8799