Deuteronomy 24:17
“Gij zult het recht4941 van den vreemdeling1616 [en] van den wees3490 niet buigen,5186 8686 en gij zult het kleed899 der weduwe490 niet te pand nemen.2254 8799”
Deuteronomy 24:17 — Statenvertaling (1637)
Verse 17 of 22 in Deuteronomy chapter 24 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Deuteronomy 24 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Wanneer een man376 een vrouw802 zal genomen3947 8799 en die getrouwd hebben,1166 8804 zo zal het geschieden, indien zij geen genade2580 zal vinden4672 8799 in zijn ogen,5869 omdat hij iets1697 schandelijks6172 aan haar gevonden heeft,4672 8804 dat hij haar een scheidbrief5612 3748 zal schrijven,3789 8804 en in haar hand3027 geven,5414 8804 en ze laten gaan7971 8765 uit zijn huis.1004 Zo zij , uit zijn huis1004 uitgegaan zijnde,3318 8804 zal henengaan1980 8804 en een anderen312 man376 [ter] [vrouwe] worden, En deze laatste314 man376 haar gehaat,8130 8804 en haar een scheidbrief5612 3748 geschreven,3789 8804 en in haar hand3027 gegeven,5414 8804 en haar uit zijn huis1004 zal hebben laten gaan;7971 8765 of als deze laatste314 man,376 die ze voor zich tot een vrouw802 genomen heeft,3947 8804 zal gestorven zijn;4191 8799 Zo zal haar eerste7223 man,1167 die haar heeft laten gaan,7971 8765 haar niet mogen3201 8799 wedernemen,3947 8800 7725 8800 dat zij hem ter vrouwe802 zij, nadat310 zij is verontreinigd geworden;2930 8719 want dat is een gruwel8441 voor het aangezicht6440 des HEEREN;3068 alzo zult gij het land776 niet doen zondigen,2398 8686 dat u de HEERE,3068 uw God,430 ten erve5159 geeft.5414 8802 Wanneer een man376 een nieuwe2319 vrouw802 zal genomen hebben,3947 8799 die zal in het heir6635 niet uittrekken,3318 8799 en men zal hem geen last1697 opleggen;5674 8799 een259 jaar8141 lang zal hij vrij zijn5355 in zijn huis,1004 en zijn vrouw,802 die hij genomen heeft,3947 8804 verheugen.8055 8765 Men zal beide molenstenen,7347 immers den bovensten molensteen,7393 niet te pand nemen;2254 8799 want hij neemt2254 de ziel5315 te pand.2254 8802 Wanneer iemand376 gevonden zal worden,4672 8735 die een ziel5315 steelt1589 8802 uit zijn broederen,251 uit de kinderen1121 ,3478 en drijft gewin6014 8694 met hem, en verkoopt4376 8804 hem; zo zal deze dief1590 sterven,4191 8804 en gij zult het boze7451 uit het midden7130 van u wegdoen.1197 8765 Wacht u8104 8734 in de plaag5061 der melaatsheid,6883 dat gij naarstiglijk3966 waarneemt8104 8800 en doet6213 8800 naar alles, wat de Levietische3881 priesteren3548 ulieden zullen leren;3384 8686 gelijk als ik hun geboden heb,6680 8765 zult gij waarnemen8104 8799 te doen.6213 8800 Gedenkt,2142 8800 wat de HEERE,3068 uw God,430 gedaan heeft6213 8804 aan ,4813 op den weg,1870 als gij uit Egypte4714 waart uitgetogen.3318 8800 Wanneer gij aan uw naaste7453 iets3972 4859 zult geleend hebben,5383 8686 zo zult gij tot zijn huis1004 niet ingaan,935 8799 om zijn pand5667 te pand te nemen;5670 8800 Buiten2351 zult gij staan,5975 8799 en de man,376 dien gij geleend hebt,5383 8802 zal het pand5667 naar buiten2351 tot u uitbrengen.3318 8686 Doch indien hij een arm6041 man376 is, zo zult gij met zijn pand5667 niet nederliggen.7901 8799 Gij zult hem dat pand5667 zekerlijk7725 8687 wedergeven,7725 8686 als de zon8121 ondergaat,935 8800 dat hij in zijn kleed8008 nederligge,7901 8804 en u zegene;1288 8765 en het zal u gerechtigheid6666 zijn voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 uws .430 Gij zult den armen6041 en nooddruftigen34 dagloner7916 niet verdrukken,6231 8799 die uit uw broederen251 is, of uit uw vreemdelingen,1616 die in uw land776 en in uw poorten8179 zijn. Op zijn dag3117 zult gij zijn loon7939 geven,5414 8799 en de zon8121 zal daarover niet ondergaan;935 8799 want hij is arm,6041 en zijn ziel5315 verlangt5375 8802 daarnaar; dat hij tegen u niet roepe7121 8799 tot den HEERE,3068 en zonde2399 in u zij. De vaders1 zullen niet gedood worden4191 8714 voor de kinderen,1121 en de kinderen1121 zullen niet gedood worden4191 8714 voor de vaders;1 een ieder376 zal om zijn zonde2399 gedood worden.4191 8714 Gij zult het recht4941 van den vreemdeling1616 [en] van den wees3490 niet buigen,5186 8686 en gij zult het kleed899 der weduwe490 niet te pand nemen.2254 8799 Maar gij zult gedenken,2142 8804 dat gij een knecht5650 in Egypte4714 geweest zijt, en de HEERE,3068 uw God,430 heeft u van daar verlost;6299 8799 daarom gebiede ik6680 8764 u deze zaak1697 te doen.6213 8800 Wanneer gij uw oogst7105 op uw akker7704 afgeoogst,7114 8799 en een garf6016 op den akker7704 vergeten zult hebben,7911 8804 zo zult gij niet wederkeren,7725 8799 om die op te nemen;3947 8800 voor den vreemdeling,1616 voor den wees3490 en voor de weduwe490 zal zij zijn; opdat u de HEERE,3068 uw God,430 zegene,1288 8762 in al het werk4639 uwer handen.3027 Wanneer gij uw olijfboom2132 zult geschud hebben,2251 8799 zo zult gij de takken6286 achter310 u niet nauw doorzoeken;6286 8762 voor den vreemdeling,1616 voor den wees3490 en voor de weduwe490 zal het zijn. Wanneer gij uw wijngaard3754 zult afgelezen hebben,1219 8799 zo zult gij de druiven achter310 u niet nalezen;5953 8779 voor den vreemdeling,1616 voor den wees3490 en voor de weduwe490 zal het zijn. En gij zult gedenken,2142 8804 dat gij een knecht5650 in Egypteland776 4714 geweest zijt; daarom gebiede ik6680 8764 u deze zaak1697 te doen.6213 8800