Deuteronomy 5:7
“Gij zult geen andere312 goden430 voor Mijn aangezicht6440 hebben.”
Deuteronomy 5:7 — Statenvertaling (1637)
Verse 7 of 33 in Deuteronomy chapter 5 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Deuteronomy 5 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En Mozes4872 riep7121 8799 het ganse ,3478 en zeide559 8799 tot hen: Hoor,8085 8798 !3478 de inzettingen2706 en rechten,4941 die ik heden3117 voor uw oren241 spreek,1696 8802 dat gij ze leert3925 8804 en waarneemt,8104 8804 om dezelve te doen.6213 8800 De HEERE,3068 onze God,430 heeft een verbond1285 met ons gemaakt3772 8804 aan .2722 Met onze vaderen1 heeft de HEERE3068 dit verbond1285 niet gemaakt,3772 8804 maar met ons, wij587 die428 hier heden3117 allen levend2416 zijn. [] aangezicht6440 tot aangezicht6440 heeft de HEERE3068 met u op den berg2022 gesproken1696 8765 uit het midden8432 des vuurs,784 (Ik stond5975 8802 te dier tijd6256 tussen den HEERE3068 en tussen u, om u des HEEREN3068 woord1697 aan te zeggen;5046 8687 want gij vreesdet3372 8804 voor6440 het vuur784 en klomt5927 8804 niet op den berg2022) zeggende:559 8800 Ik ben de HEERE,3068 uw God,430 u uit ,776 4714 uit het diensthuis1004 5650 uitgeleid heb.3318 8689 Gij zult geen andere312 goden430 voor aangezicht6440 hebben. Gij zult u geen gesneden beeld6459 maken,6213 8799 [noch] enige gelijkenis,8544 [van] hetgeen boven4605 in den hemel,8064 of onder op de aarde776 is; of in het water4325 onder de aarde776 is; Gij zult u voor die niet buigen,7812 8691 noch hen dienen;5647 8714 want Ik, de HEERE,3068 uw God,430 ben een ijverig7067 God,410 de misdaad5771 der vaderen1 bezoek6485 8802 aan de kinderen,1121 en aan het derde,8029 en aan het vierde7256 [lid] dergenen, die haten;8130 8802 En doe6213 8802 barmhartigheid2617 aan duizenden505 dergenen, die liefhebben,157 8802 en geboden4687 onderhouden.8104 8802 Gij zult den Naam8034 des HEEREN,3068 uws ,430 niet ijdellijk7723 gebruiken;5375 8799 want de HEERE3068 zal niet onschuldig houden5352 8762 dengene, die Naam8034 ijdellijk7723 gebruikt.5375 8799 Onderhoudt8104 8800 den sabbatdag,7676 3117 dat gij dien heiligt;6942 8763 gelijk als de HEERE,3068 uw God,430 u geboden heeft.6680 8765 Zes8337 dagen3117 zult gij arbeiden,5647 8799 en al uw werk4399 doen;6213 8804 Maar de zevende7637 dag3117 is de sabbat7676 des HEEREN,3068 uws ;430 [] zult gij geen werk4399 doen,6213 8799 gij, noch uw zoon,1121 noch uw dochter,1323 noch uw dienstknecht,5650 noch uw dienstmaagd,519 noch uw os,7794 noch uw ezel,2543 noch enig van uw vee,929 noch de vreemdeling,1616 die in uw poorten8179 is; opdat uw dienstknecht,5650 en uw dienstmaagd519 ruste,5117 8799 gelijk als gij. Want gij zult gedenken,2142 8804 dat gij een dienstknecht5650 in Egypteland776 4714 geweest zijt, en dat de HEERE,3068 uw God,430 u van daar heeft uitgeleid3318 8686 door een sterke2389 hand3027 en een uitgestrekten5186 8803 arm;2220 daarom heeft u de HEERE,3068 uw God,430 geboden,6680 8765 dat gij den sabbatdag7676 3117 houden zult.6213 8800 Eert3513 8761 uw vader,1 en uw moeder,517 gelijk als de HEERE,3068 uw God,430 u geboden heeft,6680 8765 opdat uw dagen3117 verlengd worden,748 8686 en opdat het u welga3190 8799 in het land,127 dat u de HEERE,3068 uw God,430 geven zal.5414 8802 Gij zult niet doodslaan.7523 8799 En gij zult geen overspel doen.5003 8799 En gij zult niet stelen.1589 8799 En gij zult geen valse7723 getuigenis5707 spreken6030 8799 tegen uw naaste.7453 En gij zult niet begeren2530 8799 uws naasten7453 vrouw;802 en gij zult u niet laten gelusten183 8691 uws naasten7453 huis,1004 zijn akker,7704 noch zijn dienstknecht,5650 noch zijn dienstmaagd,519 zijn os,7794 noch zijn ezel,2543 noch iets, dat uws naasten7453 is. Deze woorden1697 sprak1696 8765 de HEERE3068 tot uw ganse gemeente,6951 op den berg,2022 uit het midden8432 des vuurs,784 der wolk6051 en der donkerheid,6205 met een grote1419 stem,6963 en deed daar niets toe;3254 8804 en schreef3789 8799 ze op twee8147 stenen68 tafelen,3871 en gaf5414 8799 ze mij. En het geschiedde, als gij die stem6963 uit het midden8432 der duisternis2822 hoordet,8085 8800 en de berg2022 van vuur784 brandde,1197 8802 zo naderdet gij7126 8799 tot mij, alle hoofden7218 uwer stammen,7626 en uw oudsten,2205 En zeidet:559 8799 , de HEERE,3068 onze God,430 heeft ons heerlijkheid3519 en grootheid1433 laten zien,7200 8689 en wij hebben stem6963 gehoord8085 8804 uit het midden8432 des vuurs;784 dezen dag3117 hebben wij gezien,7200 8804 dat God430 met den mens120 spreekt,1696 8762 en dat hij levend blijft.2425 8804 Maar nu, waarom zouden wij sterven?4191 8799 dit grote1419 vuur784 zou ons verteren;398 8799 indien wij voortvoeren3254 8802 de stem6963 des HEEREN,3068 onzes ,430 langer te horen,8085 8800 zo zouden wij sterven.4191 8804 Want wie is er van alle vlees,1320 die de stem6963 des levenden2416 ,430 sprekende1696 8764 uit het midden8432 des vuurs,784 gehoord heeft8085 8804 gelijk wij, en is levend gebleven?2421 8799 Nader gij,7126 8798 en hoor8085 8798 alles, wat de HEERE,3068 onze God,430 zeggen zal;559 8799 en spreek gij1696 8762 tot ons al wat de HEERE,3068 onze God,430 tot u spreken zal,1696 8762 en wij zullen het horen8085 8804 en doen.6213 8804 Als nu de HEERE3068 de stem6963 uwer woorden1697 hoorde,8085 8799 toen gij tot mij spraakt,1696 8763 zo zeide559 8799 de HEERE3068 tot mij: Ik heb gehoord8085 8804 de stem6963 der woorden1697 van dit volk,5971 die zij tot u gesproken hebben;1696 8765 het is altemaal goed,3190 8689 dat zij gesproken hebben.1696 8765 Och,4310 5414 8799 dat zij zulk2088 een hart3824 hadden, om te vrezen,3372 8800 en al geboden4687 te allen dage3117 te onderhouden;8104 8800 opdat het hun en hun kinderen1121 welging3190 8799 in eeuwigheid!5769 Ga,3212 8798 zeg559 8798 hun: Keert weder7725 8798 naar uw tenten.168 Maar gij, sta5975 8798 hier bij ,5978 dat Ik tot u spreke1696 8762 al de geboden,4687 en inzettingen,2706 en rechten,4941 die gij hun leren zult,3925 8762 dat zij ze doen6213 8804 in het land,776 hetwelk Ik hun geven zal,5414 8802 om dat te erven.3423 8800 Neemt waar,8104 8804 dat gij doet,6213 8800 gelijk als de HEERE,3068 uw God,430 u geboden heeft;6680 8765 en wijkt niet af5493 8799 ter rechter3225 [hand], noch ter linkerhand.8040 In al den weg,1870 dien de HEERE,3068 uw God,430 u gebiedt,6680 8765 zult gij gaan;3212 8799 opdat gij leeft,2421 8799 en dat het u welga,2895 8804 en gij de dagen3117 verlengt748 8689 in het land,776 dat gij erven zult.3423 8799