Deuteronomy 9:6

“Weet3045 8804 dan, dat u de HEERE,3068 uw God,430 niet om uw gerechtigheid,6666 ditzelve goede2896 land776 geeft,5414 8802 om dat te erven;3423 8800 want gij zijt een hardnekkig6203 7186 volk.5971”

Deuteronomy 9:6 — Statenvertaling (1637)

Verse 6 of 29 in Deuteronomy chapter 9 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Deuteronomy 9 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Hoor,8085 8798 !3478 gij zult heden3117 over de Jordaan3383 gaan,5674 8802 dat gij inkomt,935 8800 om volken1471 te erven,3423 8800 die groter1419 en sterker6099 zijn gij; steden,5892 die groot1419 en tot in den hemel8064 gesterkt zijn;1219 8803 Een groot1419 en lang7311 8802 volk,5971 kinderen1121 der ;6062 die gij kent,3045 8804 en [van] [welke] gij gehoord hebt:8085 8804 zou bestaan3320 8691 voor het aangezicht6440 der kinderen1121 van ?6061 Zo zult gij heden3117 weten,3045 8804 dat de HEERE,3068 uw God,430 is, die voor uw aangezicht6440 doorgaat,5674 8802 een verterend398 8802 vuur:784 zal hen verdelgen,8045 8686 en zal hen voor uw aangezicht6440 nederwerpen;3665 8686 en gij zult ze uit de bezitting verdrijven,3423 8689 en zult hen haastelijk4118 te niet doen,6 8689 gelijk als de HEERE3068 tot u gesproken heeft.1696 8765 Wanneer hen nu de HEERE,3068 uw God,430 voor uw aangezicht6440 zal hebben uitgestoten,1920 8800 zo spreek559 8799 niet in uw hart,3824 zeggende:559 8800 De HEERE3068 heeft mij om mijn gerechtigheid6666 ingebracht,935 8689 om dit land776 te erven;3423 8800 want, om de goddeloosheid7564 dezer volken,1471 verdrijft3423 hen de HEERE3068 voor uw aangezicht6440 uit de bezitting.3423 8688 Niet om uw gerechtigheid,6666 noch om de oprechtheid3476 uws harten,3824 komt gij er henen in,935 8802 om hun land776 te erven;3423 8800 maar om de goddeloosheid7564 dezer volken,1471 verdrijft3423 hen de HEERE,3068 uw God,430 voor uw aangezicht6440 uit de bezitting:3423 8688 en om het woord1697 te bevestigen,6965 8687 dat de HEERE,3068 uw God, aan uw vaderen,1 ,85 Izak3327 en ,3290 gezworen heeft.7650 8738 Weet3045 8804 , dat u de HEERE,3068 uw God,430 niet om uw gerechtigheid,6666 ditzelve goede2896 land776 geeft,5414 8802 om dat te erven;3423 8800 want gij zijt een hardnekkig6203 7186 volk.5971 Gedenk,2142 8798 vergeet7911 8799 niet, dat gij den HEERE,3068 uw God,430 in de woestijn,4057 zeer vertoornd hebt;7107 8689 van4480 dien dag3117 af, dat gij uit Egypteland776 4714 uitgegaan zijt,3318 8804 totdat gij kwaamt935 8800 aan deze plaats,4725 zijt gijlieden wederspannig geweest4784 8688 tegen5973 den HEERE.3068 Want aan Horeb2722 vertoorndet gij7107 8689 den HEERE3068 zeer, dat Hij3068 tegen u vertoornde,599 8691 om u te verdelgen.8045 8687 Als ik op den berg2022 geklommen was,5927 8800 om te ontvangen3947 8800 de stenen68 tafelen,3871 de tafelen3871 des verbonds,1285 dat de HEERE3068 met ulieden gemaakt had,3772 8804 toen bleef ik3427 8799 veertig705 dagen3117 en veertig705 nachten3915 op den berg,2022 at398 8804 geen brood,3899 en dronk8354 8804 geen water.4325 En de HEERE3068 gaf5414 8799 mij de twee8147 stenen68 tafelen,3871 met Gods430 vinger676 beschreven;3789 8803 en op dezelve, naar al de woorden,1697 die de HEERE3068 op den berg,2022 uit het midden8432 des vuurs,784 ten dage3117 der verzameling,6951 met ulieden gesproken had.1696 8765 Zo geschiedde het, ten einde7093 van veertig705 dagen3117 en veertig705 nachten,3915 [als] mij de HEERE3068 de twee8147 stenen68 tafelen,3871 de tafelen3871 des verbonds,1285 gaf,5414 8804 Dat de HEERE3068 tot mij zeide:559 8799 op,6965 8798 ga3381 haastelijk4118 af3381 8798 van hier; want uw volk,5971 dat gij uit Egypte4714 hebt uitgevoerd,3318 8689 heeft het verdorven;7843 8765 zij zijn haastelijk4118 afgeweken5493 8804 van den weg,1870 dien Ik hun geboden had;6680 8765 zij hebben zich een gegoten beeld4541 gemaakt.6213 8804 Voorts sprak559 8799 de HEERE3068 tot mij, zeggende:559 8800 Ik heb dit volk5971 aangemerkt,7200 8804 en zie, het is een hardnekkig6203 7186 volk.5971 Laat van af,7503 8685 dat Ik hen verdelge,8045 8686 en hun naam8034 van onder den hemel8064 uitdoe;4229 8799 en Ik zal u854 tot een machtiger6099 en meerder7227 volk1471 maken,6213 8799 dit is. Toen keerde ik mij,6437 8799 en ging3381 van den berg2022 af;3381 8799 de berg2022 nu brandde1197 8802 van vuur,784 en de twee8147 tafelen3871 des verbonds1285 waren op beide8147 mijn handen.3027 En ik zag toe,7200 8799 en ziet, gij hadt tegen den HEERE,3068 uw God,430 gezondigd;2398 8804 gij hadt u een gegoten4541 kalf5695 gemaakt;6213 8804 gij waart haastelijk4118 afgeweken5493 8804 van den weg,1870 dien u de HEERE3068 geboden had.6680 8765 Toen vatte ik8610 8799 de twee8147 tafelen,3871 en wierp7993 8686 ze heen uit5921 beide8147 mijn handen,3027 en brak7665 8762 ze voor uw ogen.5869 En ik wierp mij neder5307 8691 voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 als in het eerst,7223 veertig705 dagen3117 en veertig705 nachten;3915 ik at398 8804 geen brood,3899 en dronk8354 8804 geen water;4325 om al uw zonde,2403 die gij hadt gezondigd,2398 8804 doende6213 8800 dat kwaad7451 is in des HEEREN3068 ogen,5869 om tot toorn te verwekken.3707 8687 Want ik vreesde3025 8804 vanwege6440 den toorn639 en de grimmigheid2534 waarmede de HEERE3068 zeer op ulieden vertoornd was,7107 8804 om u te verdelgen;8045 8687 doch de HEERE3068 verhoorde8085 8799 mij ook op dat maal.6471 Ook vertoornde Zich599 8694 de HEERE3068 zeer3966 tegen ,175 om hem te verdelgen;8045 8687 doch ik bad6419 8691 ook ter zelver tijd6256 voor .175 Maar uw zonde,2403 het kalf,5695 dat gij hadt gemaakt,6213 8804 nam ik,3947 8804 en verbrandde8313 8799 het met vuur,784 en stampte3807 8799 het, malende2912 8800 het wel,3190 8687 totdat het verdund werd1854 8804 tot stof;6083 en zijn stof6083 wierp ik7993 8686 in de beek,5158 die van den berg2022 afvliet.3381 8802 Ook vertoorndet gij7107 8688 den HEERE3068 zeer te -era8404 en te ,4532 en te -thaava.6914 Voorts als de HEERE3068 ulieden zond7971 8800 uit -barnea,6947 zeggende:559 8800 op5927 8798 en erft3423 8798 dat land,776 dat Ik u gegeven heb;5414 8804 zo waart gij den mond6310 des HEEREN,3068 uws ,430 wederspannig,4784 8686 en geloofdet539 8689 niet, en waart stem6963 niet gehoorzaam.8085 8804 Wederspannig zijt gij geweest4784 8688 tegen den HEERE,3068 van den dag3117 af, dat ik u gekend heb.3045 8800 En ik wierp mij neder5307 8691 voor des HEEREN3068 aangezicht,6440 die veertig705 dagen3117 en veertig705 nachten,3915 in welke ik mij nederwierp,5307 8694 dewijl de HEERE3068 gezegd had,559 8804 dat u verdelgen zou.8045 8687 En ik bad6419 8691 tot den HEERE,3068 en zeide:559 8799 ,136 HEERE,3069 verderf7843 8686 Uw volk5971 en Uw erfdeel5159 niet, dat door Uw grootheid1433 verlost hebt;6299 8804 dat uit Egypte4714 door een sterke2389 hand3027 hebt uitgevoerd.3318 8689 Gedenk2142 8798 aan Uw knechten,5650 ,85 Izak3327 en ;3290 zie6437 8799 niet op de hardigheid7190 dezes volks,5971 noch op zijn goddeloosheid,7562 noch op zijn zonde;2403 Opdat het land,776 van waar ons hebt uitgevoerd,3318 8689 niet zegge:559 8799 ze de HEERE3068 niet kon3201 8800 brengen935 8687 in het land,776 waarvan hun gesproken had,1696 8765 en omdat hen haatte,8135 heeft ze uitgevoerd,3318 8689 om hen te doden4191 8687 in de woestijn.4057 Zij zijn toch Uw volk,5971 en Uw erfdeel,5159 dat door Uw grote1419 kracht,3581 en door Uw uitgestrekten5186 8803 arm2220 hebt uitgevoerd!3318 8689

Every verse in Deuteronomy 9

Chapter navigation

0:000:00