Ecclesiastes 11:4
“Wie op den wind7307 acht geeft,8104 8802 die zal niet zaaien,2232 8799 en wie op de wolken5645 ziet,7200 8802 die zal niet maaien.7114 8799”
Ecclesiastes 11:4 — Statenvertaling (1637)
Verse 4 of 10 in Ecclesiastes chapter 11 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ecclesiastes 11 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Werp7971 uw brood3899 uit7971 8761 op6440 het water,4325 want gij zult het vinden4672 8799 na vele7230 dagen.3117 Geef5414 8798 een deel2506 aan zeven,7651 ja, ook aan acht;8083 want gij weet3045 8799 niet, wat kwaad7451 op de aarde776 wezen zal. Als de wolken5645 vol geworden zijn,4390 8735 zo storten zij7324 plasregen1653 uit7324 8686 op de aarde;776 en als de boom6086 naar het zuiden,1864 of als hij naar het noorden6828 valt,5307 8799 in de plaats,4725 waar de boom6086 valt,5307 8799 daar zal hij wezen.1933 8799 Wie op den wind7307 acht geeft,8104 8802 die zal niet zaaien,2232 8799 en wie op de wolken5645 ziet,7200 8802 die zal niet maaien.7114 8799 Gelijk gij niet weet,3045 8802 welke de weg1870 des winds7307 zij, [of] hoedanig de beenderen6106 zijn in den buik990 van een zwangere4392 [vrouw], alzo weet gij3045 8799 het werk4639 Gods430 niet, Die het alles maakt.6213 8799 Zaai2232 8798 uw zaad2233 in den morgenstond,1242 en trek3240 uw hand3027 des avonds6153 niet af;3240 8686 want gij weet3045 8802 niet, wat335 recht wezen zal,3787 8799 of dit of dat, of dat die beide8147 te zamen259 goed2896 zijn zullen. Verder, het licht216 is zoet,4966 en het is den ogen5869 goed2896 de zon8121 te aanschouwen;7200 8800 Maar indien de mens120 veel7235 8687 jaren8141 leeft,2421 8799 [en] verblijdt zich8055 8799 in die allen, zo laat hem ook gedenken2142 8799 aan de dagen3117 der duisternis,2822 want die zullen veel zijn;7235 8687 [en] al wat gekomen is,935 8804 is ijdelheid.1892 Verblijd u,8055 8798 o jongeling!970 in uw jeugd,3208 en laat uw hart3820 zich vermaken2895 8686 in de dagen3117 uwer jongelingschap,979 en wandel1980 8761 in de wegen1870 uws harten,3820 en in de aanschouwingen4758 uwer ogen;5869 maar weet,3045 8798 dat God,430 om al deze dingen, u zal doen komen935 8686 voor het gericht.4941 Zo doe de toornigheid3708 wijken5493 8685 van uw hart,3820 en doe5674 het kwade7451 weg5674 8685 van uw vlees,1320 want de jeugd,3208 en de jonkheid7839 is ijdelheid.1892