Esther 1:5

“Toen nu die428 dagen3117 vervuld waren,4390 8800 maakte6213 8804 de koning4428 een maaltijd4960 al3605 den volke,5971 dat gevonden werd4672 8737 op den burg1002 Susan,7800 van4480 den grootste1419 tot5704 den kleinste,6996 zeven7651 dagen3117 lang, in het voorhof2691 van den hof1594 van het koninklijk4428 paleis.1055”

Esther 1:5 — Statenvertaling (1637)

Verse 5 of 22 in Esther chapter 1 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Esther 1 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Het geschiedde1961 8799 nu in de dagen3117 van ,325 (hij1931 is die ,325 dewelke regeerde4427 8802 van4480 Indie1912 af tot aan5704 Morenland3568 toe, honderd3967 zeven7651 en twintig6242 landschappen4082). In die1922 dagen,3117 als de koning4428 Ahasveros325 op5921 den troon3678 zijns koninkrijks4438 zat,3427 8800 die834 op den burg1002 Susan7800 was; In het derde7969 jaar8141 zijner regering4427 8800 maakte hij6213 8804 een maaltijd4960 al3605 zijn vorsten8269 en zijn knechten;5650 de macht2428 van Perzie6539 en ,4074 de grootste heren6579 en de oversten8269 der landschappen4082 waren voor zijn aangezicht;6440 Als hij vertoonde7200 8687 den rijkdom6239 der heerlijkheid3519 zijns rijks,4438 en de kostelijkheid8597 des sieraads3366 zijner grootheid,1420 vele7227 dagen3117 lang, honderd3967 en tachtig8084 dagen.3117 Toen nu die428 dagen3117 vervuld waren,4390 8800 maakte6213 8804 de koning4428 een maaltijd4960 al3605 den volke,5971 dat gevonden werd4672 8737 op den burg1002 ,7800 van4480 den grootste1419 tot5704 den kleinste,6996 zeven7651 dagen3117 lang, in het voorhof2691 van den hof1594 van het koninklijk4428 paleis.1055 Er waren witte,2353 groene3768 en hemelsblauwe8504 [behangselen], gevat270 8803 aan fijn linnen948 en purperen713 banden,2256 in5921 zilveren3701 ringen,1550 en [aan] marmeren8336 pilaren;5982 de bedsteden4296 waren van goud2091 en zilver,3701 op5921 een vloer7531 van porfier923 [steen], en van marmer,8336 en albast,1858 en kostelijke stenen.5508 En men gaf te drinken8248 8687 in vaten3627 van goud,2091 en het ene vat3627 was anders8138 8802 4480 het andere vat;3627 en er was veel7227 koninklijke4438 wijn,3196 naar des konings4428 vermogen.3027 En het drinken8360 geschiedde naar de wet,1881 dat niemand369 dwong;597 8802 want3588 alzo3651 had de koning4428 vastelijk bevolen3245 8765 aan5921 alle3605 groten7227 zijns huizes,1004 dat zij doen zouden6213 8800 naar den wil7522 van een iegelijk.376 376 De koningin4436 Vasthi2060 maakte6213 8804 ook1571 een maaltijd4960 voor de vrouwen802 in het koninklijk4438 huis,1004 hetwelk834 de koning4428 Ahasveros325 had. Op den zevenden7637 dag,3117 toen des konings4428 hart3820 vrolijk was2896 van den wijn,3196 zeide hij559 8804 tot ,4104 ,968 ,2726 Bigtha903 en ,5 Zethar2242 en ,3752 de zeven7651 kamerlingen,5631 dienende8334 8764 voor het aangezicht6440 van den koning4428 ,325 Dat zij ,2060 de koningin,4436 zouden brengen935 8687 voor het aangezicht6440 des konings,4428 met de koninklijke4438 kroon,3804 om den volken5971 en den vorsten8269 haar schoonheid3308 te tonen;7200 8687 want3588 zij1931 was schoon2896 van aangezicht.4758 Doch de koningin4436 Vasthi2060 weigerde3985 8762 te komen935 8800 op het woord1697 des konings,4428 hetwelk834 door den dienst3027 der kamerlingen5631 [haar] [aangezegd] [was]. Toen werd7107 de koning4428 zeer3966 verbolgen,7107 8799 en zijn grimmigheid2534 ontstak1197 8804 in hem. Toen zeide559 8799 de koning4428 tot de wijzen,2450 die de tijden6256 verstonden3045 8802 (want3588 alzo3651 moest des konings4428 zaak1697 geschieden, in de tegenwoordigheid6440 van al3605 degenen, die de wet1881 en het recht1779 wisten;3045 8802 De naasten7138 nu bij413 hem waren ,3771 ,8369 ,133 ,8659 ,4825 ,4826 ,4462 zeven7651 vorsten8269 der Perzen6539 en der ,4074 die het aangezicht6440 des konings4428 zagen,7200 8802 die vooraan7223 zaten3427 8802 in het koninkrijk4438), Wat4100 men naar de wet1881 met de koningin4436 Vasthi2060 doen zou,6213 8800 omdat5921 834 zij niet3808 gedaan had6213 8804 het woord3982 van den koning4428 ,325 door den dienst3027 der kamerlingen?5631 Toen zeide559 8799 Memuchan4462 voor het aangezicht6440 des konings4428 en der vorsten:8269 De koningin4436 Vasthi2060 heeft niet3808 alleen909 tegen5921 den koning4428 misdaan,5753 8804 maar3588 [ook] tegen5921 al3605 de vorsten,8269 en tegen5921 al3605 de volken,5971 die834 in al3605 de landschappen4082 van den koning4428 Ahasveros325 zijn. Want3588 deze daad1697 der koningin4436 zal uitkomen3318 8799 tot5921 alle3605 vrouwen,802 zodat zij haar mannen1167 verachten zullen959 8687 in haar ogen,5869 als men zeggen zal:559 8800 De koning4428 Ahasveros325 zeide,559 8804 dat men de koningin4436 Vasthi2060 voor zijn aangezicht6440 brengen zou;935 8687 maar zij kwam935 8804 niet.3808 Te dezen zelfden2088 dage3117 zullen de vorstinnen8282 van Perzie6539 en Medie4074 ook [alzo] zeggen559 8799 tot al3605 de vorsten8269 des konings,4428 als834 zij deze daad1697 der koningin4436 zullen horen,8085 8804 en er zal verachtens963 en toorns7110 genoeg1767 wezen. Indien518 het den koning4428 goeddunkt,2895 8804 5921 dat een koninklijk4438 gebod1697 van4480 6440 hem uitga,3318 8799 hetwelk geschreven worde3789 8735 in de wetten1881 der Perzen6539 en ,4074 en dat men het niet3808 overtrede:5674 8799 dat834 Vasthi2060 niet3808 inga935 8799 voor het aangezicht6440 van den koning4428 ,325 en de koning4428 geve5414 8799 haar koninkrijk4438 aan haar naaste,7468 die beter2896 is 4480 zij. Als het bevel6599 des konings,4428 hetwelk834 hij doen zal6213 8799 in zijn ganse3605 koninkrijk,4438 (want3588 het1931 is groot7227) gehoord zal worden,8085 8738 zo zullen alle3605 vrouwen802 aan haar mannen1167 eer3366 geven,5414 8799 van4480 de grootste1419 tot5704 de kleinste6996 toe. Dit woord1697 nu was goed3190 8799 in de ogen5869 des konings4428 en der vorsten;8269 en de koning4428 deed6213 8799 naar het woord1697 van .4462 En hij zond7971 8799 brieven5612 aan413 al3605 de landschappen4082 des konings,4428 aan413 een iegelijk4082 landschap4082 naar zijn schrift,3791 en aan413 elk5971 volk5971 naar zijn spraak,3956 dat elk3605 man376 overheer8323 8802 in zijn huis1004 wezen zou,1961 8800 en spreken1696 8764 naar de spraak3956 zijns volks.5971

Every verse in Esther 1

Chapter navigation

0:000:00