Exodus 2:25
“En God430 zag7200 8799 de kinderen1121 Israels3478 aan, en God430 kende3045 8799 [hen].”
Exodus 2:25 — Statenvertaling (1637)
Verse 25 of 25 in Exodus chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Exodus 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En een man376 van het huis1004 van 3878 ging,3212 8799 en nam3947 8799 een dochter1323 van .3878 En de vrouw802 werd zwanger,2029 8799 en baarde3205 8799 een zoon.1121 zij hem zag,7200 8799 dat hij schoon2896 was, zo verborg zij6845 8799 hem drie7969 maanden.3391 Doch als zij hem niet langer5750 verbergen6845 8687 kon,3201 8804 zo nam zij3947 8799 voor hem een kistje8392 van biezen,1573 en belijmde2560 8799 het met lijm2564 en met pek;2203 en zij leide7760 8799 het knechtje3206 daarin, en leide7760 8799 het in de biezen,5488 aan den oever8193 der rivier.2975 En zijn zuster269 stelde zich3320 8691 van verre,7350 om te weten,3045 8800 wat hem gedaan zou worden.6213 8735 En de dochter1323 van Farao6547 ging af,3381 8799 om zich te wassen7364 8800 in de rivier;2975 en haar jonkvrouwen5291 wandelden1980 8802 aan den kant3027 der rivier;2975 toen zij het kistje8392 in het midden8432 van de biezen5488 zag,7200 8799 zo zond zij7971 8799 haar dienstmaagd519 heen, en liet het halen.3947 8799 Toen zij het open deed,6605 8799 zo zag zij7200 8799 dat knechtje;3206 en ziet, het jongsken5288 weende;1058 8802 en zij werd met barmhartigheid bewogen2550 8799 over hetzelve, en zij zeide:559 8799 is een van de knechtjes3206 der !5680 Toen zeide559 8799 zijn zuster269 tot 's6547 dochter:1323 ik heengaan,3212 8799 en u een voedstervrouw3243 8688 uit de Hebreinnen5680 802 roepen,7121 8804 die dat knechtje3206 voor u zoge?3243 8686 En de dochter1323 van Farao6547 zeide559 8799 tot haar: Ga heen.3212 8798 En de jonge maagd5959 ging,3212 8799 en riep7121 8799 des knechtjes3206 moeder.517 Toen zeide559 8799 's6547 dochter1323 tot haar: Neem3212 dit knechtje3206 heen,3212 8685 en zoog3243 8685 het mij; ik zal [u] uw loon7939 geven.5414 8799 En de vrouw802 nam3947 8799 het knechtje3206 en zoogde5134 8686 het. En toen het knechtje3206 groot geworden was,1431 8799 zo bracht zij935 8686 het tot 's6547 dochter,1323 en het werd haar ten zoon;1121 en zij noemde7121 8799 zijn naam8034 ,4872 en zeide:559 8799 ik heb hem uit het water4325 getogen.4871 8804 En het geschiedde in die dagen,3117 toen Mozes4872 groot geworden was,1431 8799 dat hij uitging3318 8799 tot zijn broederen,251 en bezag7200 8799 hun lasten;5450 en hij zag,7200 8799 dat een Egyptisch4713 man376 een Hebreeuwsen5680 man376 uit zijn broederen251 sloeg.5221 8688 En hij zag6437 8799 herwaarts3541 en gindswaarts;3541 en toen hij zag,7200 8799 dat er niemand376 was, zo versloeg hij5221 8686 den ,4713 en verborg2934 8799 hem in het zand.2344 Des anderen8145 daags3117 ging hij wederom uit,3318 8799 en ziet, twee8147 Hebreeuwse5680 mannen582 twistten;5327 8737 en hij zeide559 8799 tot den ongerechte:7563 slaat gij5221 8686 uw naaste?7453 Hij zeide:559 8799 heeft u tot376 een overste8269 en rechter8199 8802 over ons gezet?7760 8804 gij559 8802 [dit], om mij te doden,2026 8800 gelijk gij den Egyptenaar4713 gedood hebt?2026 8804 vreesde3372 8799 ,4872 en zeide:559 8799 ,403 deze zaak1697 is bekend geworden!3045 8738 Als nu Farao6547 deze zaak1697 hoorde,8085 8799 zo zocht hij1245 8762 Mozes4872 te doden;2026 8800 doch Mozes4872 vlood1272 8799 voor 's6547 aangezicht,6440 en woonde3427 8799 in het land776 ,4080 en hij zat3427 8799 bij een waterput.875 En de priester3548 in 4080 had zeven7651 dochters,1323 die kwamen935 8799 om te putten,1802 8799 en vulden4390 8762 de drinkbakken,7298 om de kudde6629 haars vaders1 te drenken.8248 8687 Toen kwamen935 8799 de herders,7462 8802 en zij dreven1644 8762 haar van daar; doch Mozes4872 stond op,6965 8799 en verloste3467 8686 ze, en drenkte8248 8686 haar kudden.6629 En toen zij tot haar vader1 Rehuel7467 kwamen,935 8799 zo sprak hij:559 8799 Waarom4069 zijt gij heden3117 zo haast4116 8765 wedergekomen?935 8800 Toen zeiden zij:559 8799 Egyptisch4713 man376 heeft ons verlost5337 8689 uit de hand3027 der herderen;7462 8802 en hij heeft ook overvloedig1802 8800 voor ons geput,1802 8804 en de kudde6629 gedrenkt.8248 8686 En hij zeide559 8799 tot zijn dochters:1323 is hij toch, waarom liet gij5800 den man376 nu gaan?5800 8804 roept7121 8798 hem, dat hij brood3899 ete.398 8799 En Mozes4872 bewilligde2974 8686 bij den man376 te wonen;3427 8800 en hij gaf5414 8799 Mozes4872 zijn dochter1323 ;6855 Die baarde3205 8799 een zoon;1121 en hij noemde7121 8799 zijn naam8034 ;1647 want hij zeide:559 8804 Ik ben een vreemdeling1616 geworden in een vreemd5237 land.776 En het geschiedde na vele7227 dezer1992 dagen,3117 als de koning4428 van Egypte4714 gestorven was,4191 8799 dat de kinderen1121 Israels3478 zuchtten584 8735 en schreeuwden2199 8799 over4480 den dienst;5656 en hun gekrijt7775 over hun dienst5656 kwam op5927 8799 tot God.430 En God430 hoorde8085 8799 hun gekerm,5009 en God430 gedacht aan2142 8799 verbond1285 met ,85 met ,3327 en met .3290 En God430 zag7200 8799 de kinderen1121 Israels3478 aan, en God430 kende3045 8799 [hen].