Exodus 33:17

“Toen zeide559 8799 de HEERE3068 tot Mozes:4872 Ook deze zelfde zaak,1697 die gij gesproken hebt,1696 8765 zal Ik doen,6213 8799 dewijl gij genade2580 gevonden hebt4672 8804 in Mijn ogen,5869 en Ik u bij name8034 ken.3045 8799”

Exodus 33:17 — Statenvertaling (1637)

Verse 17 of 23 in Exodus chapter 33 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Exodus 33 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Voorts sprak1696 8762 de HEERE3068 tot :4872 Ga heen,3212 8798 trek op5927 8798 van hier, gij en het volk,5971 dat gij uit Egypteland776 4714 opgevoerd hebt,5927 8689 naar het land,776 dat Ik ,85 Izak3327 en Jakob3290 gezworen heb,7650 8738 zeggende:559 8800 uw zaad2233 zal Ik het geven;5414 8799 En Ik zal een Engel4397 voor uw aangezicht6440 zenden7971 8804 (en Ik zal uitdrijven1644 8765 de ,3669 de ,567 en de ,2850 en de ,6522 de ,2340 en de Jebusieten2983), Naar het land,776 dat van melk2461 en honig1706 is vloeiende;2100 8802 want Ik zal in het midden7130 van u niet optrekken;5927 8799 want gij zijt een hardnekkig7186 6203 volk;5971 dat Ik u op dezen weg1870 niet vertere.3615 8762 Toen het volk5971 dit kwade7451 woord1697 hoorde,8085 8799 zo droegen zij leed;56 8691 en niemand376 van hen deed7896 8804 zijn versiersel5716 aan zich. En de HEERE3068 had tot Mozes4872 gezegd:559 8799 Zeg559 8798 tot de kinderen1121 :3478 zijt een hardnekkig7186 6203 volk;5971 in een259 ogenblik7281 zou Ik in het midden7130 van ulieden optrekken,5927 8799 en zou u vernielen;3615 8765 doch nu, legt3381 8685 uw sieraad5716 van u af, en Ik zal weten,3045 8799 wat Ik u doen zal.6213 8799 De kinderen1121 Israels3478 beroofden zichzelven5337 8691 van hun versierselen,5716 [verre] van den berg2022 .2722 En Mozes4872 nam3947 8799 de tent,168 en spande5186 8804 [ze] zich buiten2351 het leger,4264 ver van het leger4264 afwijkende;7368 8687 en hij noemde7121 8804 ze de Tent168 der samenkomst.4150 En het geschiedde, dat al wie den HEERE3068 zocht,1245 8764 uitging3318 8799 tot de tent168 der samenkomst,4150 die buiten2351 het leger4264 was. En het geschiedde, wanneer Mozes4872 uitging3318 8800 naar de tent,168 stond6965 8799 al het volk5971 op, en een ieder376 stelde zich5324 8738 in de deur6607 zijner tent;168 en zij zagen5027 8689 Mozes4872 na,310 totdat hij de tent168 ingegaan was.935 8800 En het geschiedde, als Mozes4872 de tent168 ingegaan was,935 8800 zo kwam3381 8799 de wolkkolom6051 5982 nederwaarts, en stond5975 8804 in de deur6607 der tent,168 en sprak1696 8765 met .4872 Als het volk5971 de wolkkolom6051 5982 zag7200 8804 staan5975 8802 in de deur6607 der tent,168 zo stond6965 8804 al het volk5971 op, en zij bogen zich,7812 8694 een ieder376 in de deur6607 zijner tent.168 En de HEERE3068 sprak1696 8765 tot Mozes4872 aangezicht6440 aan aangezicht,6440 gelijk een man376 met zijn vriend7453 spreekt;1696 8762 daarna keerde hij weder7725 8804 tot het leger;4264 doch zijn dienaar8334 8764 ,3091 de zoon1121 van ,5126 de jongeling,5288 week4185 8686 niet uit het midden8432 der tent.168 En Mozes4872 zeide559 8799 tot den HEERE:3068 ,7200 8798 zegt559 8802 tot mij: Voer5927 8685 dit volk5971 op! maar laat mij niet weten,3045 8689 wien met mij zult zenden;7971 8799 daar gezegd hebt:559 8804 Ik ken3045 8804 u bij name!8034 en ook: Gij hebt genade2580 gevonden4672 8804 in ogen!5869 Nu , ik bidde, indien ik genade2580 gevonden heb4672 8804 in Uw ogen,5869 zo laat mij nu Uw weg1870 weten,3045 8685 en ik zal U kennen,3045 8799 opdat ik genade2580 vinde4672 8799 in Uw ogen;5869 en zie aan,7200 8798 dat deze natie1471 Uw volk5971 is! Hij zeide:559 8799 aangezicht6440 moeten medegaan,3212 8799 om u gerust te stellen?5117 8689 Toen zeide hij559 8799 tot : Indien Uw aangezicht6440 niet medegaan zal,1980 8802 doe ons van hier niet optrekken!5927 8686 Want waarbij zou nu645 bekend worden,3045 8735 dat ik genade2580 gevonden heb4672 8804 in Uw ogen,5869 ik en Uw volk?5971 Is het niet daarbij, dat met ons gaat?3212 8800 zullen wij afgezonderd worden,6395 8738 ik en Uw volk,5971 van alle volk,5971 dat op den aardbodem6440 127 is. Toen zeide559 8799 de HEERE3068 tot :4872 deze zelfde zaak,1697 die gij gesproken hebt,1696 8765 zal Ik doen,6213 8799 dewijl gij genade2580 gevonden hebt4672 8804 in ogen,5869 en Ik u bij name8034 ken.3045 8799 Toen zeide hij:559 8799 Toon7200 8685 mij nu4994 Uw heerlijkheid!3519 Doch zeide:559 8799 Ik zal al goedigheid2898 voorbij uw aangezicht laten gaan,5674 8686 en zal den Naam8034 des HEEREN3068 uitroepen7121 8804 voor uw aangezicht;6440 maar Ik zal genadig2603 8804 zijn, wien Ik zal genadig zijn,2603 8799 en Ik zal ontfermen,7355 8765 over wien Ik ontfermen zal.7355 8762 Hij zeide559 8799 verder: Gij zoudt aangezicht6440 niet kunnen3201 8799 zien;7200 8800 want zal geen mens120 zien,7200 8799 en leven.2425 8804 De HEERE3068 zeide559 8799 verder: Zie, er is een plaats4725 bij ; daar zult gij u op de steenrots6697 stellen.5324 8738 En het zal geschieden, wanneer heerlijkheid3519 voorbij zal gaan,5674 8800 zo zal Ik u in een kloof5366 der steenrots6697 zetten;7760 8804 en Ik zal u met hand3709 overdekken,5526 8804 totdat5704 Ik zal voorbijgegaan zijn.5674 8800 En wanneer Ik hand3709 zal weggenomen hebben,5493 8689 zo zult gij achterste delen268 zien;7200 8804 maar aangezicht6440 zal niet gezien worden!7200 8735

Every verse in Exodus 33

Chapter navigation

0:000:00