Exodus 40:10
“Gij zult ook het altaar4196 des brandoffers5930 zalven,4886 8804 en al zijn gereedschap;3627 en gij zult het altaar4196 heiligen,6942 8765 en het altaar4196 zal heiligheid6944 der heiligheden6944 zijn.”
Exodus 40:10 — Statenvertaling (1637)
Verse 10 of 38 in Exodus chapter 40 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
2 threads run through this chapter
Exodus 40 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Verder sprak1696 8762 de HEERE3068 tot ,4872 zeggende:559 8800 Op den dag3117 der eerste259 maand,2320 [te] [weten] op den eersten7223 der maand, zult gij den tabernakel,4908 de tent168 der samenkomst,4150 oprichten.6965 8686 En gij zult aldaar8033 zetten7760 8804 de 727 der getuigenis;5715 en gij zult de 727 met den voorhang6532 bedekken.5526 8804 Daarna zult gij de tafel7979 daarin brengen,935 8689 en gij zult schikken6186 8804 wat daarop te schikken6187 is; gij zult ook den kandelaar4501 daarin brengen,935 8689 en zijn lampen5216 aansteken.5927 8689 En gij zult het gouden2091 altaar4196 ten reukwerk7004 voor6440 de 727 der getuigenis5715 zetten;5414 8804 zult gij het deksel4539 van de deur6607 des tabernakels4908 ophangen.7760 8804 Gij zult ook het altaar4196 des brandoffers5930 zetten5414 8804 voor6440 de deur6607 van den tabernakel,4908 van de tent168 der samenkomst.4150 En gij zult het wasvat3595 zetten5414 8804 tussen de tent168 der samenkomst,4150 en tussen het altaar;4196 en gij zult water4325 daar [in] doen.5414 8804 Daarna zult gij den voorhof2691 rondom5439 zetten,7760 8804 en gij zult het deksel4539 ophangen5414 8804 aan de poort8179 des voorhofs.2691 zult gij de zalfolie4888 8081 nemen3947 8804 en zalven4886 8804 den tabernakel,4908 en al wat daarin is; en gij zult dezelven heiligen,6942 8765 met al zijn gereedschap,3627 en het zal een heiligheid6944 zijn. Gij zult ook het altaar4196 des brandoffers5930 zalven,4886 8804 en al zijn gereedschap;3627 en gij zult het altaar4196 heiligen,6942 8765 en het altaar4196 zal heiligheid6944 der heiligheden6944 zijn. zult gij het wasvat3595 zalven,4886 8804 en deszelfs voet;3653 en gij zult het heiligen.6942 8765 Gij zult ook 175 en zijn zonen1121 doen naderen,7126 8689 tot de deur6607 van de tent168 der samenkomst;4150 en gij zult hen met water4325 wassen.7364 8804 En gij zult 175 de heilige6944 klederen899 aantrekken;3847 8689 en gij zult hem zalven,4886 8804 en hem heiligen,6942 8765 dat hij het priesterambt bediene.3547 8765 Gij zult ook zijn zonen1121 doen naderen,7126 8686 en zult hun de rokken3801 aantrekken.3847 8689 En gij zult hen zalven,4886 8804 gelijk als gij hun vader1 zult gezalfd hebben,4886 8804 dat zij het priesterambt bedienen.3547 8765 En het zal geschieden, dat hun hun zalving4888 zal zijn tot een eeuwig5769 priesterdom3550 bij hun geslachten.1755 Mozes4872 nu deed6213 8799 het naar alles, wat hem de HEERE3068 geboden had;6680 8765 alzo deed hij.6213 8804 En het geschiedde in de eerste7223 maand,2320 in het tweede8145 jaar,8141 op den eersten259 der maand,2320 dat de tabernakel4908 opgericht werd.6965 8717 Want Mozes4872 richtte6965 8686 den tabernakel4908 op, en zette5414 8799 zijn voeten,134 en stelde7760 8799 zijn berderen,7175 en zette5414 8799 zijn richelen1280 daaraan, en hij richtte6965 8686 deszelfs pilaren5982 op. En hij spreidde6566 8799 de tent168 uit over den tabernakel,4908 en hij zette7760 8799 het deksel4372 der tent168 daar bovenop,4605 gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Voorts nam hij,3947 8799 en leide5414 8799 de getuigenis5715 in de ,727 en deed7760 8799 de handbomen905 aan de ,727 en hij zette5414 8799 het verzoendeksel3727 boven4605 op de .727 En hij bracht935 8686 de 727 in den tabernakel,4908 en hij hing7760 8799 den voorhang6532 van het deksel4539 op, en bedekte5526 8686 de 727 der getuigenis,5715 gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Hij zette5414 8799 ook de tafel7979 in de tent168 der samenkomst,4150 aan de zijde3409 des tabernakels4908 tegen het noorden,6828 buiten2351 den voorhang.6532 En hij schikte6187 daarop het brood3899 in orde,6186 8799 voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Hij zette7760 8799 ook den kandelaar4501 in de tent168 der samenkomst,4150 recht over5227 de tafel,7979 aan de zijde3409 des tabernakels,4908 zuidwaarts.5045 En hij stak5927 de lampen5216 aan5927 8686 voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 En hij zette7760 8799 het gouden2091 altaar4196 in de tent168 der samenkomst,4150 voor6440 den voorhang.6532 En hij stak daarop aan6999 8686 reukwerk7004 van welriekende specerijen,5561 gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Hij hing7760 8799 ook het deksel4539 van de deur6607 des tabernakels.4908 En hij zette7760 8804 het altaar4196 des brandoffers5930 aan de deur6607 des tabernakels,4908 van de tent168 der samenkomst;4150 en hij offerde5927 8686 daarop brandoffer,5930 en spijsoffer,4503 gelijk de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Hij zette7760 8799 ook het wasvat3595 tussen de tent168 der samenkomst,4150 en tussen het altaar;4196 en hij deed5414 8799 water4325 daarin om te wassen.7364 8800 En Mozes4872 en ,175 en zijn zonen1121 wiesen7364 8804 daaruit hun handen3027 en hun voeten.7272 Als zij ingingen935 8800 tot de tent168 der samenkomst,4150 en als zij tot het altaar4196 naderden,7126 8800 zo wiesen zij zich7364 8799 zich, gelijk als de HEERE3068 aan Mozes4872 geboden had.6680 8765 Hij richtte6965 8686 ook den voorhof2691 op, rondom5439 den tabernakel4908 en het altaar,4196 en hij hing5414 8799 het deksel4539 van de poort8179 des voorhofs2691 op. Alzo voleindigde3615 8762 Mozes4872 het werk.4399 Toen bedekte3680 8762 de wolk6051 de tent168 der samenkomst;4150 en de heerlijkheid3519 des HEEREN3068 vervulde4390 8804 den tabernakel.4908 Zodat Mozes4872 niet kon3201 8804 ingaan935 8800 in de tent168 der samenkomst,4150 dewijl de wolk6051 daarop bleef,7931 8804 en de heerlijkheid3519 des HEEREN3068 den tabernakel4908 vervulde.4390 8804 Als nu de wolk6051 opgeheven werd5927 8736 van boven5921 den tabernakel,4908 zo reisden5265 8799 de kinderen1121 Israels3478 voort in al hun reizen.4550 Maar als de wolk6051 niet opgeheven werd,5927 8735 zo reisden zij5265 8799 niet tot op den dag,3117 dat zij opgeheven werd.5927 8736 Want de wolk6051 des HEEREN3068 was op den tabernakel4908 bij dag,3119 en het vuur784 was er bij nacht3915 op, voor de ogen5869 van het ganse huis1004 Israels3478 in al hun reizen.4550