Exodus 5:9
“Men verzware3513 8799 den dienst5656 over deze mannen,582 dat zij daaraan te doen hebben,6213 8799 en zich niet vergapen8159 8799 aan leugenachtige8267 woorden.1697”
Exodus 5:9 — Statenvertaling (1637)
Verse 9 of 23 in Exodus chapter 5 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Exodus 5 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En daarna310 gingen935 8804 Mozes4872 en 175 heen, en zeiden559 8799 tot :6547 zegt559 8804 de HEERE,3068 de God430 van :3478 volk5971 trekken,7971 8761 dat het een feest houde2287 8799 in de woestijn!4057 Maar Farao6547 zeide:559 8799 is de HEERE,3068 stem6963 ik gehoorzamen zou,8085 8799 om 3478 te laten trekken?7971 8763 Ik ken3045 8804 den HEERE3068 niet, en ik zal ook 3478 niet laten trekken.7971 8762 Zij zeiden:559 8799 De God430 der Hebreen5680 is ons ontmoet;7122 8738 zo laat ons toch heentrekken,3212 8799 den weg1870 van drie7969 dagen3117 in de woestijn,4057 en den HEERE,3068 onzen God,430 offeren,2076 8799 dat ons niet overkome6293 8799 met pestilentie,1698 of met het zwaard.2719 Toen zeide559 8799 de koning4428 van Egypte4714 tot hen: Gij, Mozes4872 en !175 waarom trekt gij6544 8686 het volk5971 af van hun werken?4639 heen3212 8798 tot uw lasten.5450 Verder zeide559 8799 :6547 , het volk5971 des lands776 is alreeds [te] veel;7227 en zoudt gijlieden hen doen rusten7673 8689 van hun lasten?5450 Daarom beval6680 8762 ,6547 ten zelfden dage,3117 aan de aandrijvers5065 8802 onder het volk,5971 en deszelfs ambtlieden,7860 8802 zeggende:559 8800 Gij zult voortaan aan deze lieden5971 geen stro8401 meer3254 8686 geven,5414 8800 tot het maken3835 8800 der tichelstenen,3843 als gisteren8032 [en] eergisteren;8543 laat hen zelven heengaan,3212 8799 en stro8401 voor zichzelven verzamelen.7197 8782 En het getal4971 der tichelstenen,3843 die zij gisteren8032 [en] eergisteren8543 gemaakt hebben,6213 8802 zult gij hun opleggen;7760 8799 gij zult daarvan niet verminderen;1639 8799 want zij gaan ledig;7503 8737 daarom roepen zij,6817 8802 zeggende:559 8800 ons gaan,3212 8799 laat ons onzen God430 offeren!2076 8799 Men verzware3513 8799 den dienst5656 over deze mannen,582 dat zij daaraan te doen hebben,6213 8799 en zich niet vergapen8159 8799 aan leugenachtige8267 woorden.1697 Toen gingen3318 8799 de aandrijvers5065 8802 des volks5971 uit, en deszelfs ambtlieden,7860 8802 en spraken559 8799 tot het volk,5971 zeggende:559 8800 Zo zegt559 8804 :6547 Ik zal ulieden geen stro8401 geven.5414 8802 Gaat gij [zelve] heen,3212 8798 haalt3947 8798 u stro,8401 waar834 gij het vindt;4672 8799 doch3588 van uw dienst5656 zal niet1697 verminderd worden.1639 8737 Toen verstrooide zich6327 8686 het volk5971 in het ganse land776 van ,4714 dat het stoppelen7179 verzamelde,7197 8780 voor stro.8401 En de aandrijvers5065 8802 drongen aan,213 8801 zeggende:559 8800 Voleindigt3615 8761 uw werken,4639 [elk] dagwerk1697 op zijn dag,3117 gelijk toen er stro8401 was.1961 8800 En de ambtlieden7860 8802 der kinderen1121 ,3478 die 's6547 aandrijvers5065 8802 over hen gesteld hadden,7760 8804 werden geslagen,5221 8714 [en] men zeide:559 8800 hebt gijlieden uw gezette werk2706 niet voleindigd,3615 8765 in het maken der tichelstenen,3835 8800 gelijk te voren,8032 8543 alzo ook gisteren8543 en heden?3117 Derhalve gingen935 8799 de ambtlieden7860 8802 der kinderen1121 ,3478 en schreeuwden6817 8799 tot ,6547 zeggende:559 8800 doet gij6213 8799 uw knechten5650 alzo? Aan uw knechten5650 wordt geen stro8401 gegeven,5414 8737 en zij zeggen559 8802 tot ons: Maakt6213 8798 de tichelstenen;3843 en ziet, uw knechten5650 worden geslagen,5221 8716 doch de schuld2398 8804 is uws volks!5971 Hij zeide:559 8799 gaat ledig,7503 8737 ledig gaat gij;7503 8737 daarom zegt gij:559 8802 ons gaan,3212 8799 laat ons den HEERE3068 offeren!2076 8799 Zo gaat nu heen,3212 8798 arbeidt;5647 8798 doch stro8401 zal u niet gegeven worden;5414 8735 evenwel zult gij het getal8506 der tichelstenen3843 leveren.5414 8799 Toen zagen7200 8799 de ambtlieden7860 8802 der kinderen1121 ,3478 dat het kwalijk7451 met hen stond, dewijl men zeide:559 8800 zult niet minderen1639 8799 van uw tichelstenen,3843 [van] het dagwerk1697 op zijn dag.3117 En zij ontmoetten6293 8799 Mozes4872 en ,175 die tegen hen over7125 8800 stonden,5324 8737 toen zij van Farao6547 uitgingen.3318 8800 En zeiden559 8799 tot hen: De HEERE3068 zie7200 8799 op u, en richte8199 8799 [het], dewijl dat gij onzen reuk7381 hebt stinkende gemaakt887 8689 voor5869 ,6547 en voor5869 zijn knechten,5650 gevende5414 8800 een zwaard2719 in hun handen,3027 om ons te doden.2026 8800 Toen keerde7725 8799 Mozes4872 weder tot den HEERE,3068 en zeide:559 8799 !136 waarom hebt dit volk5971 kwaad gedaan,7489 8689 waarom hebt mij nu gezonden?7971 8804 Want van toen af, dat ik tot Farao6547 ben ingegaan,935 8804 om in Uw naam8034 te spreken,1696 8763 heeft hij dit volk5971 kwaad gedaan;7489 8689 en hebt Uw volk5971 geenszins5337 8687 verlost.5337 8689