Ezekiel 24:11

“Stel5975 8687 hem daarna ledig7386 op zijn kolen,1513 opdat hij heet worde,3179 8799 en zijn roest5178 verbrande,2787 8804 en zijn onreinigheid2932 in het midden8432 van hem versmelte,5413 8738 zijn schuim2457 verteerd worde.8552 8799”

Ezekiel 24:11 — Statenvertaling (1637)

Verse 11 of 27 in Ezekiel chapter 24 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Ezekiel 24 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Wijders geschiedde des HEEREN3068 woord1697 tot mij, in het negende8671 jaar,8141 in de tiende6224 maand,2320 op den tienden6218 der maand,2320 zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 schrijf3789 8798 u den naam8034 van den dag3117 op, even van dezen zelfden6106 dag;3117 de koning4428 van 894 legt zich5564 8804 voor ,3389 even op dezen zelfden6106 dag.3117 En gebruik4911 8798 een gelijkenis4912 tot dat wederspannig4805 huis,1004 en zeg559 8804 tot hen: Alzo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Zet8239 8798 een pot5518 toe, zet8239 8798 [hem] toe, en giet3332 8798 ook water4325 daarin. Doe622 zijn stukken5409 te zamen622 8798 daarin, alle goede2896 stukken,5409 de dij3409 en den schouder,3802 vul4390 8761 [hem] met de keur4005 der beenderen.6106 Neem3947 8800 de keur4005 van de kudde,6629 en stook ook een brandstapel1754 van de beenderen6106 daaronder; doe hem wel7571 opzieden;7570 8761 ook zullen zijn beenderen6106 daarin8432 gekookt worden.1310 8804 Daarom, alzo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Wee188 der bloedstad,1818 5892 den pot,5518 welks schuim2457 in hem is, en van welken zijn schuim2457 niet is uitgegaan!3318 8804 trek3318 8685 stuk5409 bij stuk5409 daaruit, en laat het 1486 over hem niet vallen.5307 8804 Want haar bloed1818 is in het midden8432 van haar; op een gladde6706 steenrots5553 heeft zij dat gelegd;7760 8804 zij heeft het op de aarde776 niet uitgestort,8210 8804 om hetzelve met stof6083 te bedekken.3680 8763 Opdat Ik de grimmigheid2534 doe opgaan5927 8687 om wraak5359 te oefenen,5358 8800 heb Ik [ook] haar bloed1818 op een gladde6706 steenrots5553 gelegd,5414 8804 opdat het niet bedekt worde.3680 8736 Daarom, alzo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Wee188 der bloedstad!1818 5892 Ik zal ook den brandstapel4071 groot maken!1431 8686 Draag veel7235 8685 houts6086 toe, steek1814 het vuur784 aan,1814 8687 verteer8552 8687 het vlees,1320 en kruid7543 8687 [het] met specerijen,4841 en laat de beenderen6106 verbranden.2787 8735 Stel5975 8687 hem daarna ledig7386 op zijn kolen,1513 opdat hij heet worde,3179 8799 en zijn roest5178 verbrande,2787 8804 en zijn onreinigheid2932 in het midden8432 van hem versmelte,5413 8738 zijn schuim2457 verteerd worde.8552 8799 [] ijdelheden8383 heeft zij [] moede gemaakt;3811 8689 nog is haar overvloedig7227 schuim2457 van haar niet uitgegaan;3318 8799 haar schuim2457 [moet] in het vuur.784 In uw onreinigheid2932 is schandelijkheid,2154 omdat Ik u gereinigd heb,2891 8765 en gij niet gereinigd zijt,2891 8804 zo zult gij van uw onreinigheid2932 niet meer gereinigd worden,2891 8799 totdat Ik grimmigheid2534 op u zal hebben doen rusten.5117 8687 Ik, de HEERE,3068 heb het gesproken;1696 8765 het zal komen,935 8802 en Ik zal het doen;6213 8804 Ik zal er niet van wijken,6544 8799 en Ik zal niet verschonen2347 8799 noch berouw hebben;5162 8735 naar uw wegen1870 en naar uw handelingen5949 zullen zij u richten,8199 8804 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Wijders geschiedde des HEEREN3068 woord1697 tot mij, zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 zie, Ik zal den lust4261 uwer ogen5869 van u wegnemen3947 8802 door een plage;4046 nochtans zult gij niet rouwklagen,5594 8799 noch wenen,1058 8799 en uw tranen1832 zullen niet voortkomen.935 8799 Houd stil1826 8798 van kermen,602 8736 gij zult geen dodenrouw60 4191 8801 maken,6213 8799 bind2280 8798 uw hoed6287 op u, en doe7760 8799 uw schoenen5275 aan uw voeten;7272 en de bovenste lip8222 zult gij niet bewinden,5844 8799 en zult der lieden582 brood3899 niet eten.398 8799 Dit sprak ik1696 8762 tot het volk5971 in den morgenstond,1242 en mijn huisvrouw802 stierf4191 8799 in den avond;6153 en ik deed6213 8799 in den morgenstond,1242 gelijk mij geboden was.6680 8795 En het volk5971 zeide559 8799 tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven,5046 8686 wat ons deze dingen zijn, dat gij [aldus] doet?6213 8802 En ik zeide559 8799 tot hen: Het woord1697 des HEEREN3068 is tot mij geschied, zeggende:559 8800 Zeg559 8798 tot het huis1004 :3478 zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik zal heiligdom4720 ontheiligen,2490 8764 de heerlijkheid1347 uwer sterkte,5797 de begeerte4261 uwer ogen,5869 en de verschoning4263 uwer ziel;5315 en uw zonen1121 en uw dochteren,1323 die gij verlaten hebt,5800 8804 zullen door het zwaard2719 vallen.5307 8799 zult gijlieden doen,6213 8804 gelijk als ik gedaan heb;6213 8804 de bovenste lip8222 zult gij niet bewinden,5844 8799 en der lieden582 brood3899 zult gij niet eten.398 8799 En uw hoeden6287 zullen op uw hoofden7218 zijn, en uw schoenen5275 aan uw voeten;7272 gij zult niet rouwklagen,5594 8799 noch wenen,1058 8799 maar gij zult in uw ongerechtigheden5771 versmachten,4743 8738 en een iegelijk376 tegen zijn broeder251 zuchten.5098 8804 Alzo zal ulieden Ezechiel3168 tot een wonderteken4159 zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft,6213 8804 zult gij doen;6213 8799 als dit komt,935 8800 zult gij weten,3045 8804 dat Ik de Heere136 HEERE3069 ben. En gij, mensenkind!1121 120 zal het niet zijn, ten dage,3117 als Ik van hen zal wegnemen3947 8800 hun sterkte,4581 de vreugde4885 huns sieraads,8597 den lust4261 hunner ogen5869 en het verlangen4853 hunner zielen,5315 hun zonen1121 en hun dochteren;1323 Dat tenzelfden dage3117 een ontkomene6412 tot u zal komen,935 8799 om [uw] oren241 [dat] te doen horen?2045 Ten zelven dage3117 zal uw mond6310 bij dien, die ontkomen is,6412 opengedaan worden,6605 8735 en gij zult spreken,1696 8762 en niet meer stom zijn;481 8735 alzo zult gij hun tot een wonderteken4159 zijn, en zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben.

Every verse in Ezekiel 24

Chapter navigation

0:000:00