Ezekiel 29:11
“Geen mensenvoet7272 120 zal door hetzelve doorgaan,5674 8799 en geen beestenvoet7272 929 zal door hetzelve doorgaan,5674 8799 en het zal veertig705 jaren8141 onbewoond zijn.3427 8799”
Ezekiel 29:11 — Statenvertaling (1637)
Verse 11 of 21 in Ezekiel chapter 29 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ezekiel 29 — full chapter (Statenvertaling (1637))
In het tiende6224 jaar,8141 in de tiende6224 [maand], op den twaalfden8147 6240 der maand,2320 geschiedde des HEEREN3068 woord1697 tot mij, zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 zet7760 8798 uw aangezicht6440 tegen ,6547 den koning4428 van ,4714 en profeteer5012 8734 tegen hem, en tegen het ganse .4714 Spreek1696 8761 en zeg:559 8804 Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik [wil] aan u, o ,6547 koning4428 van !4714 dien groten1419 zeedraak,8577 die in het midden8432 zijner rivieren2975 ligt;7257 8802 die daar zegt:559 8804 rivier2975 is de mijne, en ik heb [die] voor mij gemaakt.6213 8804 Maar Ik zal haken2397 8676 2397 in uw kaken3895 doen,5414 8804 en den vis1710 uwer rivieren2975 aan uw schubben7193 doen kleven;1692 8689 en Ik zal u uit het midden8432 uwer rivieren2975 optrekken,5927 8689 en al de vis1710 uwer rivieren2975 zal aan uw schubben7193 kleven.1692 8799 En Ik zal u verlaten5203 8804 in de woestijn,4057 u en al den vis1710 uwer rivieren;2975 op het open6440 veld7704 zult gij vallen;5307 8799 gij zult niet verzameld622 8735 noch vergaderd worden;6908 8735 aan het gedierte2416 der aarde776 en aan het gevogelte5775 des hemels8064 heb Ik u ter spijze402 gegeven.5414 8804 En al de inwoners3427 8802 van Egypte4714 zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben, omdat zij den huize1004 Israels3478 een rietstaf4938 7070 geweest zijn. Als zij u bij uw hand3709 grepen,8610 8800 zo werdt gij gebroken,7533 8735 en spleet1234 8804 hun alle zijden;3802 en als zij op u leunden,8172 8736 zo werdt gij verbroken,7665 8735 en liet alle lenden4975 op zichzelven staan.5976 8689 Daarom zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik zal het zwaard2719 over u brengen,935 8688 en Ik zal uit u mens120 en beest929 uitroeien.3772 8689 En Egypteland776 4714 zal worden tot een wildernis8077 en woestheid,2723 en zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben; omdat hij zegt:559 8804 De rivier2975 is mijn, en ik heb [die] gemaakt.6213 8804 Daarom, zie, Ik [wil] aan u en aan uw rivier;2975 en Ik zal Egypteland776 4714 stellen5414 8804 tot woeste2721 wilde2723 eenzaamheden,8077 van den toren4024 van Syene5482 af, tot aan de landpale1366 van .3568 Geen mensenvoet7272 120 zal door hetzelve doorgaan,5674 8799 en geen beestenvoet7272 929 zal door hetzelve doorgaan,5674 8799 en het zal veertig705 jaren8141 onbewoond zijn.3427 8799 Want Ik zal Egypteland776 4714 stellen5414 8804 [tot] een verwoesting8077 in het midden8432 der verwoeste8074 8737 landen,776 en zijn steden5892 zullen een woestheid8077 zijn in het midden8432 der verwoeste2717 8716 steden,5892 veertig705 jaren;8141 en Ik zal de Egyptenaars4714 verstrooien6327 8689 onder de heidenen,1471 en zal hen verspreiden2219 8765 in de landen.776 Maar zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 einde7093 van veertig705 jaren8141 zal Ik de Egyptenaars4714 vergaderen6908 8762 uit de volken,5971 waarhenen zij verstrooid zijn geworden.6327 8738 En Ik zal de gevangenis7622 der Egyptenaren4714 wenden,7725 8804 en hen wederbrengen7725 8689 in het land776 van ,6624 in het land776 huns koophandels;4351 en aldaar zullen zij een nederig8217 koninkrijk4467 zijn. En het zal nederiger8217 zijn de [andere] koninkrijken,4467 en zich niet meer verheffen5375 8691 boven de heidenen;1471 want Ik zal hen verminderen,4591 8689 dat zij niet zullen heersen7287 8800 over de heidenen.1471 En het zal den huize1004 Israels3478 niet meer zijn tot een vertrouwen,4009 dat der ongerechtigheid5771 doet gedenken,2142 8688 wanneer zij naar310 henlieden omzien;6437 8800 maar zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de Heere136 HEERE3069 ben. Voorts gebeurde het in het zeven7651 en twintigste6242 jaar,8141 in de eerste7223 [maand], op den eersten259 der maand,2320 [dat] het woord1697 des HEEREN3068 tot mij geschiedde, zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 ,5019 de koning4428 van ,894 heeft zijn heir2428 een groten1419 dienst5656 doen dienen5647 8689 tegen ;6865 alle hoofden7218 zijn kaal geworden,7139 8716 en alle zijden3802 zijn uitgeplukt;4803 8803 en noch hij, noch zijn heir2428 heeft loon7939 gehad vanwege ,6865 voor den dienst,5656 dien hij tegen haar gediend heeft.5647 8804 Daarom, zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik zal ,5019 den koning4428 van ,894 Egypteland776 4714 geven;5414 8802 en hij zal deszelfs menigte1995 wegvoeren,5375 8804 en deszelfs buit7998 buiten,7997 8804 en deszelfs roof957 roven,962 8804 en het zal het loon7939 zijn voor zijn heir.2428 [] zijn arbeidsloon,6468 omdat hij tegen haar gediend heeft,5647 8804 heb Ik hem Egypteland776 4714 gegeven,5414 8804 omdat zij voor gewrocht hebben,6213 8804 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Te dien dage3117 zal Ik den hoorn7161 van het huis1004 Israels3478 doen uitspruiten,6779 8686 en u opening6610 des monds6310 geven5414 8799 in het midden8432 van hen; en zij zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben.