Ezekiel 3:7

“Maar het huis1004 Israels3478 wil14 8799 naar u niet horen,8085 8800 omdat zij naar Mij niet willen14 8802 horen;8085 8800 want het ganse huis1004 Israels3478 is stijf2389 van voorhoofd,4696 en hard7186 van hart3820 zijn zij.”

Ezekiel 3:7 — Statenvertaling (1637)

Verse 7 of 27 in Ezekiel chapter 3 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Ezekiel 3 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Daarna zeide Hij559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 eet,398 8798 wat gij vinden zult;4672 8799 eet398 8798 deze rol,4039 en ga,3212 8798 spreek1696 8761 tot het huis1004 .3478 Toen opende ik6605 8799 mijn mond,6310 en gaf mij die rol4039 te eten.398 8686 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 geef uw buik990 te eten,398 8686 en vul4390 8762 uw ingewand4578 met deze rol,4039 die Ik u geef.5414 8802 at ik,398 8799 en het was in mijn mond6310 als honig,1706 vanwege de zoetigheid.4966 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 ga henen,3212 8798 kom935 8798 tot het huis1004 ,3478 en spreek1696 8765 tot hen met woorden.1697 Want gij zijt niet gezonden7971 8803 tot een volk,5971 diep6012 van spraak8193 en zwaar3515 van tong,3956 [maar] tot het huis1004 ;3478 Niet tot vele7227 volken,5971 diep6012 van spraak8193 en zwaar3515 van tong,3956 welker woorden1697 gij niet kunt verstaan;8085 8799 zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had,7971 8804 naar u gehoord hebben?8085 8799 Maar het huis1004 Israels3478 wil14 8799 naar u niet horen,8085 8800 omdat zij naar niet willen14 8802 horen;8085 8800 want het ganse huis1004 Israels3478 is stijf2389 van voorhoofd,4696 en hard7186 van hart3820 zijn zij. Ziet, Ik heb uw aangezicht6440 stijf2389 gemaakt5414 8804 tegen5980 hun aangezichten,6440 en uw voorhoofd4696 stijf2389 tegen5980 hun voorhoofd.4696 Uw voorhoofd4696 heb Ik gemaakt5414 8804 als een diamant,8068 harder2389 een rots;6864 vrees3372 8799 hen niet, en ontzet u2865 8735 niet voor hun aangezichten,6440 omdat zij een wederspannig4805 huis1004 zijn. Verder zeide Hij559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 vat3947 8798 al woorden,1697 die Ik tot u spreken zal,1696 8762 in uw hart,3824 en hoor8085 8798 ze met uw oren.241 En ga henen,3212 8798 kom935 8798 tot de weggevoerden,1473 tot de kinderen1121 uws volks,5971 en spreek1696 8765 tot hen, en zeg559 8804 tot hen: Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE,3069 hetzij dat zij horen zullen,8085 8799 of hetzij dat zij het laten zullen.2308 8799 Toen nam5375 de Geest7307 mij op,5375 8799 en ik hoorde8085 8799 achter310 mij een stem6963 van grote1419 ruising,7494 [zeggende]: Geloofd1288 8803 zij de heerlijkheid3519 des HEEREN3068 uit plaats!4725 En [ik] [hoorde] het geluid6963 van der dieren2416 vleugelen,3671 die de een802 den ander269 raakten,5401 8688 en het geluid6963 der raderen212 tegenover5980 hen; en het geluid6963 ener grote1419 ruising.7494 Toen hief5375 de Geest7307 mij op,5375 8804 en nam mij weg,3947 8799 en ik ging henen,3212 8799 bitterlijk bedroefd4751 door de hitte2534 mijns geestes;7307 maar de hand3027 des HEEREN3068 was sterk2388 8804 op mij. En ik kwam935 8799 tot de weggevoerden1473 te -abib,8512 die aan de rivier5104 Chebar3529 woonden,3427 8802 en ik bleef3427 8799 daar zij woonden;3427 8799 ja, ik bleef3427 8799 daar verbaasd8074 8688 in het midden8432 van hen zeven7651 dagen.3117 Het gebeurde nu ten einde7097 van zeven7651 dagen,3117 dat het woord1697 des HEEREN3068 tot mij geschiedde, zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 Ik heb u tot een wachter6822 8802 gesteld5414 8804 over het huis1004 ;3478 zo zult gij het woord1697 uit mond6310 horen,8085 8804 en hen van waarschuwen.2094 8689 Als Ik tot den goddeloze7563 zeg:559 8800 zult den dood4191 8800 sterven,4191 8799 en gij waarschuwt2094 8689 hem niet, en spreekt1696 8765 niet, om den goddeloze7563 van zijn goddelozen7563 weg1870 te waarschuwen,2094 8687 opdat gij hem in het leven behoudt;2421 8763 die goddeloze7563 zal in zijn ongerechtigheid5771 sterven,4191 8799 maar zijn bloed1818 zal Ik van uw hand3027 eisen.1245 8762 Doch als gij den goddeloze7563 waarschuwt,2094 8689 en hij zich van zijn goddeloosheid7562 en van zijn goddelozen7563 weg1870 niet bekeert,7725 8804 hij zal in zijn ongerechtigheid5771 sterven;4191 8799 maar gij hebt uw ziel5315 bevrijd.5337 8689 Als ook een rechtvaardige6662 zich van zijn gerechtigheid6664 afkeert,7725 8800 en onrecht5766 doet,6213 8804 en Ik een aanstoot4383 voor zijn aangezicht6440 leg,5414 8804 hij zal sterven;4191 8799 omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt,2094 8689 zal hij in zijn zonde2403 sterven,4191 8799 en zijn gerechtigheden,6666 die hij gedaan heeft,6213 8804 zullen niet gedacht worden;2142 8735 maar zijn bloed1818 zal Ik van uw hand3027 eisen.1245 8762 Doch als gij den rechtvaardige6662 waarschuwt,2094 8689 opdat de rechtvaardige6662 niet zondige,2398 8800 en hij niet zondigt;2398 8804 hij zal zekerlijk2421 8800 leven,2421 8799 omdat hij gewaarschuwd is;2094 8737 en gij hebt uw ziel5315 bevrijd.5337 8689 En de hand3027 des HEEREN3068 was daar op mij, en zeide559 8799 tot mij: Maak u op,6965 8798 ga uit3318 8798 in de vallei,1237 en Ik zal daar met u spreken.1696 8762 En ik maakte mij op,6965 8799 en ging uit3318 8799 in de vallei,1237 en ziet, de heerlijkheid3519 des HEEREN3068 stond5975 8802 aldaar, gelijk de heerlijkheid,3519 die ik gezien had7200 8804 bij de rivier5104 ;3529 en ik viel5307 8799 op mijn aangezicht.6440 Toen kwam935 8799 de Geest7307 in mij, en stelde5975 8686 mij op mijn voeten,7272 en sprak1696 8762 met mij, en zeide559 8799 tot mij: Ga,935 8798 besluit u5462 8734 binnen8432 in uw huis.1004 Want u aangaande, mensenkind,1121 120 ziet, zij zouden dikke touwen5688 aan u leggen,5414 8804 en zij zouden u daarmede binden;631 8804 daarom zult gij niet uitgaan3318 8799 in het midden8432 van hen. En Ik zal uw tong3956 aan uw gehemelte2441 doen kleven,1692 8686 dat gij stom worden zult,481 8738 en zult hun niet zijn tot een bestraffenden3198 8688 man;376 want zij zijn een wederspannig4805 huis.1004 Maar als Ik met854 u spreken zal,1696 8763 zal Ik uw mond6310 opendoen,6605 8799 en gij zult tot hen zeggen:559 8804 Zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE,3069 wie hoort,8085 8802 die hore,8085 8799 en wie het laat,2310 die late2308 8799 het; want zij zijn een wederspannig4805 huis.1004

Every verse in Ezekiel 3

Chapter navigation

0:000:00