Ezekiel 34:21

“Omdat gij al de zwakken2470 8737 met de zijde6654 en met den schouder3802 verdringt,1920 8799 en met uw hoornen7161 stoot,5055 8762 totdat gij dezelve naar buiten2351 toe verstrooid hebt;6327 8689”

Ezekiel 34:21 — Statenvertaling (1637)

Verse 21 of 31 in Ezekiel chapter 34 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Ezekiel 34 — full chapter (Statenvertaling (1637))

En des HEEREN3068 woord1697 geschiedde tot mij, zeggende:559 8800 Mensenkind!1121 120 profeteer5012 8734 tegen de herders7462 8802 van ;3478 profeteer5012 8734 en zeg559 8804 tot hen, tot de herders:7462 8802 zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Wee1945 den herderen7462 8802 ,3478 die zichzelven weiden!7462 8802 zullen niet de herders7462 8802 de schapen6629 weiden?7462 8799 Gij eet398 8799 het vette,2459 en bekleedt u3847 8799 met de wol,6785 gij slacht2076 8799 het gemeste,1277 [maar] de schapen6629 weidt gij7462 8799 niet. De zwakke2470 8737 sterkt gij2388 8765 niet, en het kranke2470 8802 heelt gij7495 8765 niet, en het gebrokene7665 8737 verbindt gij2280 8804 niet, en het weggedrevene5080 8737 brengt gij niet weder,7725 8689 en het verlorene6 8802 zoekt gij1245 8765 niet; maar gij heerst7287 8804 over hen met strengheid2394 en met hardigheid.6531 Alzo zijn zij verstrooid,6327 8799 omdat er geen herder7462 8802 is; en zij zijn al3605 het wild gedierte2416 des velds7704 tot spijze402 geworden, dewijl zij verstrooid waren.6327 8799 Mijn schapen6629 dolen7686 8799 op alle bergen2022 en op allen hogen7311 8802 heuvel,1389 ja, Mijn schapen6629 zijn verstrooid6327 8738 op den gansen aardbodem;6440 776 en er is niemand, die er naar vraagt,1875 8802 en niemand, die ze zoekt.1245 8764 Daarom, gij herders!7462 8802 hoort8085 8798 des HEEREN3068 woord!1697 [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef,2416 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE,3069 zo [Ik] niet! Omdat schapen6629 geworden zijn tot een roof,957 en schapen6629 al het wild gedierte2416 des velds7704 tot spijze402 geworden zijn, omdat er geen herder7462 8802 is, en herders7462 8802 naar schapen6629 niet vragen;1875 8804 en de herders7462 8802 weiden zichzelven,7462 8799 maar schapen6629 weiden zij7462 8804 niet; Daarom, gij herders!7462 8802 hoort8085 8798 des HEEREN3068 woord!1697 Alzo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik [wil] aan de herders,7462 8802 en zal schapen6629 van hun hand3027 eisen,1875 8804 en zal ze van het weiden7462 8800 der schapen6629 doen ophouden,7673 8689 zodat de herders7462 8802 zichzelven niet meer zullen weiden;7462 8799 en Ik zal schapen6629 uit hun mond6310 rukken,5337 8689 zodat zij hun niet [meer] tot spijze402 zullen zijn. Want zo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 , Ik, ja, Ik zal naar schapen6629 vragen,1875 8804 en zal ze opzoeken.1239 8765 Gelijk een herder7462 8802 zijn kudde5739 opzoekt,1243 ten dage3117 als hij in het midden8432 zijner verspreide6567 8737 schapen6629 is, alzo zal Ik schapen6629 opzoeken;1239 8762 en Ik zal ze redden5337 8689 uit al de plaatsen,4725 waarhenen zij verstrooid zijn,6327 8738 ten dage3117 der wolke6051 en der donkerheid.6205 En Ik zal ze uitvoeren3318 8689 van de volken,5971 en zal ze vergaderen6908 8765 uit de landen,776 en brengen935 8689 ze in hun land;127 en Ik zal ze weiden7462 8804 op de bergen2022 ,3478 bij de stromen650 en in alle bewoonbare plaatsen4186 des lands.776 Op een goede2896 weide4829 zal Ik ze weiden,7462 8799 en op de hoge4791 bergen2022 Israels3478 zal hun kooi5116 zijn; aldaar zullen zij nederliggen7257 8799 in een goede2896 kooi,5116 en zullen weiden7462 8799 [in] een vette8082 weide,4829 op de bergen2022 .3478 Ik zal schapen6629 weiden,7462 8799 en Ik zal ze legeren,7257 8686 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Het verlorene6 8802 zal Ik zoeken,1245 8762 en het weggedrevene5080 8737 zal Ik wederbrengen,7725 8686 en het gebrokene7665 8737 zal Ik verbinden,2280 8799 en het kranke2470 8802 zal Ik sterken;2388 8762 maar het vette8082 en het sterke2389 zal Ik verdelgen,8045 8686 Ik zal ze weiden7462 8799 met oordeel.4941 Want gij,859 o schapen!6629 de Heere136 HEERE3069 zegt559 8804 alzo: Ziet, Ik zal richten8199 8802 tussen klein vee7716 en klein vee,7716 tussen de rammen352 en de bokken.6260 Is het u te weinig,4592 dat gij de goede2896 weide4829 afweidt?7462 8799 gij nog het overige3499 uwer weide4829 met uw voeten7272 vertreden?7429 8799 En zult gij de bezonkene4950 wateren4325 drinken,8354 8799 en de overgelatene3498 8737 met uw voeten7272 vermodderen?7515 8799 Mijn schapen6629 , zullen zij afweiden,7462 8799 wat met uw voeten7272 vertreden is,4823 en drinken,8354 8799 wat met uw voeten7272 vermodderd is?4833 Daarom zegt559 8804 de Heere136 HEERE3069 alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten8199 8804 tussen het vette1274 klein vee,7716 en tussen het magere7330 klein vee.7716 Omdat gij al de zwakken2470 8737 met de zijde6654 en met den schouder3802 verdringt,1920 8799 en met uw hoornen7161 stoot,5055 8762 totdat gij dezelve naar buiten2351 toe verstrooid hebt;6327 8689 Daarom zal Ik schapen6629 verlossen,3467 8689 dat zij niet meer tot een roof957 zullen zijn; en Ik zal richten8199 8804 tussen klein vee7716 en klein vee.7716 En Ik zal een enigen259 Herder7462 8802 over hen verwekken,6965 8689 en zal hen weiden,7462 8804 [namelijk] knecht5650 ;1732 die zal ze weiden,7462 8799 en zal hun tot een Herder7462 8802 zijn. En Ik, de HEERE,3068 zal hun tot een God430 zijn; en knecht5650 1732 zal Vorst5387 zijn in het midden8432 van hen, Ik, de HEERE,3068 heb het gesproken.1696 8765 En Ik zal een verbond1285 des vredes7965 met hen maken,3772 8804 en zal het boos7451 gedierte2416 uit het land776 doen ophouden;7673 8689 en zij zullen zeker983 wonen3427 8804 in de woestijn,4057 en slapen3462 8804 in de wouden.3293 8675 3264 Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom5439 heuvel,1389 stellen5414 8804 [tot] een zegen;1293 en Ik zal den plasregen1653 doen nederdalen3381 8689 op zijn tijd,6256 plasregens1653 van zegen1293 zullen er zijn. En het geboomte6086 des velds7704 zal zijn vrucht6529 geven,5414 8804 en het land776 zal zijn inkomst2981 geven,5414 8799 en zij zullen zeker983 zijn in hun land;127 en zullen weten,3045 8804 dat Ik de HEERE3068 ben, als Ik de disselbomen4133 huns juks5923 zal hebben verbroken,7665 8800 en hen gerukt5337 8689 uit de hand3027 dergenen, die zich van hen deden dienen.5647 8802 En zij zullen den heidenen1471 niet meer ten roof957 zijn, en het wild gedierte2416 der aarde776 zal ze niet [meer] vreten;398 8799 maar zij zullen zeker983 wonen,3427 8804 en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.2729 8688 En Ik zal hun een plant4302 van naam8034 verwekken;6965 8689 en zij zullen niet meer weggeraapt worden622 8803 door honger7458 in het land,776 en den smaad3639 der heidenen1471 niet meer dragen.5375 8799 Maar zij zullen weten,3045 8804 dat Ik, de HEERE,3068 hun God,430 met hen ben, en dat zij volk5971 zijn, het huis1004 ,3478 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069 Gij859 nu, o schapen,6629 schapen6629 weide!4830 gij zijt mensen;120 [maar] Ik ben uw God,430 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069

Every verse in Ezekiel 34

Chapter navigation

0:000:00