Ezekiel 47:7

“Als ik wederkeerde,7725 8800 ziet, zo was er aan den oever8193 der beek5158 zeer3966 veel7227 geboomte,6086 van deze en van gene zijde.”

Ezekiel 47:7 — Statenvertaling (1637)

Verse 7 of 23 in Ezekiel chapter 47 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Ezekiel 47 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Daarna bracht hij mij weder7725 8686 tot de deur6607 van het huis,1004 en ziet, er vloten3318 wateren4325 uit,3318 8802 van onder den dorpel4670 des huizes1004 naar het oosten;6921 want het voorste6440 deel van het huis1004 was [in] het oosten,6921 en de wateren4325 daalden af3381 8802 van onderen, uit de rechterzijde3233 3802 des huizes,1004 van het zuiden5045 des altaars.4196 En hij bracht3318 mij uit3318 8686 [door] den weg1870 van de noorderpoort,8179 6828 en voerde5437 8686 mij om [door] den weg1870 van buiten, tot de buitenpoort,2351 8179 den weg,1870 die naar het oosten6921 ziet;6437 8802 en ziet, de wateren4325 sprongen6379 8764 uit de rechterzijde.3233 3802 Als [nu] die man376 [naar] het oosten6921 uitging,3318 8800 zo was er een meetsnoer6957 in zijn hand;3027 en hij mat4058 8799 duizend505 ellen,520 en deed mij door de wateren4325 doorgaan,5674 8686 [en] de wateren4325 raakten tot aan de enkelen.657 Toen mat hij4058 8799 [nog] duizend505 [ellen], en deed mij door de wateren4325 doorgaan,5674 8686 [en] de wateren4325 raakten tot aan de knieen;1290 en hij mat4058 8799 [nog] duizend,505 en deed mij doorgaan,5674 8686 [en] de wateren4325 raakten tot aan de lenden.4975 Voorts mat hij4058 8799 [nog] duizend,505 [en] het was een beek,5158 waar ik niet kon3201 8799 doorgaan;5674 8800 want de wateren4325 waren hoge1342 8804 wateren,4325 waar men door zwemmen moest,7813 een beek,5158 waar men niet kon doorgaan.5674 8735 En hij zeide559 8799 tot mij: Hebt gij het gezien,7200 8804 mensenkind?1121 120 voerde hij3212 8686 mij, en bracht mij weder7725 8686 tot aan den oever8193 der beek.5158 Als ik wederkeerde,7725 8800 ziet, zo was er aan den oever8193 der beek5158 zeer3966 veel7227 geboomte,6086 van deze en van gene zijde. Toen zeide hij559 8799 tot mij: Deze wateren4325 vlieten uit3318 8802 naar het voorste6930 ,1552 en dalen af3381 8804 in het vlakke veld;6160 daarna komen zij935 8804 in de zee;3220 in de zee3220 uitgebracht zijnde,3318 8716 zo worden de wateren4325 gezond.7495 8738 Ja, het zal geschieden, [dat] alle levende2416 ziel,5315 die er wemelt,8317 8799 overal, waarhenen een der twee beken5158 zal komen,935 8799 leven zal,2421 8799 en daar zal zeer3966 veel7227 vis1710 zijn, omdat deze wateren4325 daarhenen zullen gekomen zijn,935 8804 en zij zullen gezond worden,7495 8735 en het zal leven,2425 8804 alles, waarhenen deze beek5158 zal komen.935 8799 Ook zal het geschieden, dat er vissers1728 aan dezelve zullen staan,5975 8804 8675 5975 8799 van En-gedi5872 aan tot En-eglaim5882 toe; daar zullen [plaatsen] zijn [tot] uitspreiding4894 der netten;2764 haar vis1710 zal naar zijn aard4327 wezen als de vis1710 van de grote1419 zee,3220 zeer3966 menigvuldig.7227 Doch haar modderige plaatsen1207 en haar moerassen1360 zullen niet gezond worden,7495 8735 zij zijn tot zout4417 overgegeven.5414 8738 Aan de beek5158 nu, aan haar oever,8193 zal van deze en van gene zijde opgaan5927 8799 allerlei spijsgeboomte,6086 3978 welks blad5929 niet zal afvallen,5034 8799 noch de vrucht6529 daarvan vergaan;8552 8799 in zijn maanden2320 zal het nieuwe vruchten voortbrengen;1069 8762 want zijn wateren4325 vlieten uit3318 8802 het heiligdom;4720 en zijn vrucht6529 zal zijn tot spijze,3978 en zijn blad5929 tot heling.8644 Alzo zegt559 8804 de Heere136 HEERE:3069 Dit1454 zal de landpale1366 zijn, [naar] dewelke gij het land776 ten erve zult nemen,5157 8691 naar de twaalf8147 6240 stammen7626 :3478 Jozef3130 [twee] snoeren.2256 En gij zult dat erven,5157 8804 de een376 zowel als de ander;251 [over] hetwelk Ik hand3027 heb opgeheven,5375 8804 dat Ik het uw vaderen1 zou geven;5414 8800 en ditzelve land776 zal ulieden in erfenis5159 vallen.5307 8804 Dit nu zal de landpale1366 des lands776 zijn: aan den noorderhoek,6828 6285 van de grote1419 zee3220 af, den weg1870 van ,2855 waar men komt935 8800 te .6657 ,2574 ,1268 ,5453 dat tussen de landpale1366 van Damaskus1834 en tussen de landpale1366 van 2574 is; Hazar ,2694 dat aan de landpale1366 van Havran2362 is. Alzo zal de landpale1366 van de zee3220 af zijn, Hazar-enon,2703 de landpale1366 van ,1834 en het noorden6828 noordwaarts,6828 en de landpale1366 van ;2574 en [dat] zal de noorderhoek6828 6285 zijn. Den oosterhoek6921 6285 nu zult gijlieden meten4058 8799 van tussen996 ,2362 en van tussen996 ,1834 en van tussen996 ,1568 en van tussen996 het land776 Israels3478 aan den ,3383 van de landpale1366 af tot de Oostzee6931 3220 toe; en [dat] zal de oosterhoek6921 6285 zijn. En den zuiderhoek5045 6285 zuidwaarts8486 van Thamar8559 af, tot aan het twistwater4325 4808 8677 4809 van ,6946 [voorts] naar de beek5158 henen, tot aan de grote1419 zee;3220 en [dat] zal de zuiderhoek8486 6285 zuidwaarts5045 zijn. En den westerhoek,3220 6285 de grote1419 zee,3220 van de landpale1366 af tot daar men recht tegenover5227 2574 komt;935 8800 dat zal de westerhoek3220 6285 zijn. Ditzelve land776 nu zult gij ulieden uitdelen2505 8765 naar de stammen7626 .3478 Maar het zal geschieden, dat gij hetzelve zult doen vallen5307 8686 in erfenis5159 voor ulieden, en voor de vreemdelingen,1616 die in het midden8432 van u verkeren,1481 8802 die kinderen1121 in het midden8432 van u zullen gewonnen hebben;3205 8689 en zij zullen ulieden zijn, als een inboorling249 onder de kinderen1121 ;3478 zij zullen met ulieden in erfenis5159 vallen,5307 8799 in het midden8432 der stammen7626 .3478 Ook zal het geschieden, in den stam,7626 bij welken de vreemdeling1616 verkeert,1481 8804 aldaar zult gij [hem] zijn erfenis5159 geven,5414 8799 spreekt5002 8803 de Heere136 HEERE.3069

Every verse in Ezekiel 47

Chapter navigation

0:000:00