Ezekiel 8:1
“Het geschiedde nu in het zesde8345 jaar,8141 in de zesde8345 [maand], op den vijfden2568 der maand,2320 als ik in mijn huis1004 zat,3427 8802 en de oudsten2205 van Juda3063 voor mijn aangezicht6440 zaten,3427 8802 dat de hand3027 des Heeren136 HEEREN3069 daar over mij viel.5307 8799”
Ezekiel 8:1 — Statenvertaling (1637)
Verse 1 of 18 in Ezekiel chapter 8 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Ezekiel 8 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Het geschiedde nu in het zesde8345 jaar,8141 in de zesde8345 [maand], op den vijfden2568 der maand,2320 als ik in mijn huis1004 zat,3427 8802 en de oudsten2205 van Juda3063 voor mijn aangezicht6440 zaten,3427 8802 dat de hand3027 des Heeren136 HEEREN3069 daar over mij viel.5307 8799 Toen zag ik,7200 8799 en ziet, een gelijkenis,1823 als de gedaante4758 van vuur;784 van de gedaante4758 lenden4975 en nederwaarts4295 was vuur;784 en van lenden4975 en opwaarts,4605 als de gedaante4758 ener klaarheid,2096 als de verf5869 van .2830 En stak7971 de gelijkenis8403 ener hand3027 uit,7971 8799 en nam3947 8799 mij bij het haar6734 mijns hoofds;7218 en de Geest7307 voerde mij op5375 8799 tussen de aarde776 en tussen den hemel,8064 en bracht935 8686 mij in de gezichten4759 Gods430 te ,3389 tot de deur6607 der poort8179 van het binnenste6442 [voorhof], dewelke ziet6437 8802 naar het noorden,6828 alwaar de zitplaats4186 was van een beeld5566 der ijvering,7068 dat tot ijver verwekt.7069 8688 En ziet, de heerlijkheid3519 des Gods430 van 3478 was aldaar, naar de gedaante,4758 die ik in de vallei1237 gezien had.7200 8804 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 hef5375 nu uw ogen5869 op5375 8798 naar den weg1870 van het noorden;6828 en ik hief5375 8799 mijn ogen5869 op naar den weg1870 van het noorden,6828 en ziet, tegen het noorden6828 aan de poort8179 van het altaar4196 was dit beeld5566 der ijvering,7068 in den ingang.872 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 ziet gij7200 8802 wel, wat zij doen,6213 8802 de grote1419 gruwelen,8441 die het huis1004 Israels3478 hier doet,6213 8802 opdat Ik van heiligdom4720 verre wegga?7368 8800 gij zult nog wederom7725 8799 grote1419 gruwelen8441 zien.7200 8799 Zo bracht Hij935 8686 mij tot de deur6607 van het voorhof.2691 zag ik,7200 8799 en ziet, er was een259 hol2356 in den wand.7023 En zeide559 8799 tot mij: Mensenkind,1121 120 graaf2864 8798 nu in dien wand.7023 En ik groef2864 8799 in dien wand,7023 en ziet, daar was een259 deur.6607 Toen zeide Hij559 8799 tot mij: Ga in,935 8798 en zie7200 8798 de boze7451 gruwelen,8441 die zij hier doen.6213 8802 Zo ging ik in,935 8799 en ik zag,7200 8799 en ziet, er was alle beeltenis8403 van kruipende dieren7431 en verfoeilijke8263 beesten,929 en van alle drekgoden1544 van het huis1004 ,3478 geheel rondom5439 aan den wand7023 gemaald.2707 8794 En zeventig7657 mannen376 uit de oudsten2205 van het huis1004 ,3478 met ,2970 den zoon1121 van ,8227 staande5975 8802 in het midden8432 van hen, stonden5975 8802 voor hun aangezichten;6440 en een ieder376 [had] zijn rookvat4730 in zijn hand,3027 en een overvloedige6282 wolk6051 des reukwerks7004 ging op.5927 8802 Toen zeide Hij559 8799 tot mij: Hebt gij gezien,7200 8804 mensenkind,1121 120 wat de oudsten2205 van het huis1004 Israels3478 doen6213 8802 in de duisternis,2822 een ieder376 in zijn gebeelde4906 binnenkameren?2315 want zij zeggen:559 8802 De HEERE3068 ziet7200 8802 ons niet, de HEERE3068 heeft het land776 verlaten.5800 8804 En zeide559 8799 tot mij: Gij zult nog wederom7725 8799 grote1419 gruwelen8441 zien,7200 8799 die zij doen.6213 8802 En bracht935 8686 mij tot de deur6607 der poort8179 van het huis1004 des HEEREN,3068 die naar het noorden6828 is, en ziet, daar zaten3427 8802 vrouwen,802 bewenende1058 8764 den .8542 En zeide559 8799 tot mij: Hebt gij, mensenkind,1121 120 [dat] gezien?7200 8804 zult nog wederom7725 8799 grotere1419 gruwelen8441 zien7200 8799 deze. En bracht935 8686 mij tot het binnenste6442 voorhof2691 van het huis1004 des HEEREN;3068 en ziet, [aan] de deur6607 van den tempel1964 des HEEREN,3068 tussen het voorhuis197 en tussen het altaar,4196 waren omtrent vijf2568 en twintig6242 mannen;376 hun achterste268 [leden] waren naar den tempel1964 des HEEREN,3068 en hun aangezichten6440 naar het oosten,6924 en deze bogen zich neder7812 8693 naar het oosten6924 voor de zon.8121 Toen zeide Hij559 8799 tot mij: Hebt gij, mensenkind,1121 120 [dat] gezien?7200 8804 Is er iets lichter geacht7043 8738 bij het huis1004 van ,3063 deze gruwelen8441 te doen,6213 8800 die zij hier doen?6213 8804 zij het land776 met geweld2555 vervuld hebben,4390 8804 zo keren zij zich,7725 8799 om te vertoornen;3707 8687 want zie, zij steken7971 8802 de wijnranken2156 aan hun neus.639 Daarom zal Ik ook handelen6213 8799 in grimmigheid,2534 oog5869 zal niet verschonen,2347 8799 en Ik zal niet sparen;2550 8799 hoewel zij voor oren241 met luider1419 stem6963 roepen,7121 8804 nochtans zal Ik hen niet horen.8085 8799