Genesis 32:26

“En Hij zeide:559 8799 Laat Mij gaan,7971 8761 want3588 de dageraad7837 is opgegaan.5927 8804 Maar hij zeide:559 8799 Ik zal U niet3808 laten gaan,7971 8762 tenzij3588 518 dat Gij mij zegent.1288 8765”

Genesis 32:26 — Statenvertaling (1637)

Verse 26 of 32 in Genesis chapter 32 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Genesis 32 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Jakob3290 toog1980 8804 ook zijns weegs;1870 en de engelen4397 Gods430 ontmoetten6293 8799 hem. En Jakob3290 zeide,559 8799 met dat834 hij hen zag:7200 8804 Dit2088 is een heirleger4264 !430 en hij noemde7121 8799 den naam8034 derzelver1931 plaats4725 .4266 En Jakob3290 zond7971 8799 boden4397 uit voor zijn aangezicht6440 tot413 ,6215 zijn broeder,251 naar het land776 ,8165 de landstreek7704 van .123 En hij gebood6680 8762 hun,853 zeggende:559 8800 Zo3541 zult gij zeggen559 8799 tot mijn heer,113 tot :6215 Zo3541 zegt559 8804 ,3290 uw knecht:5650 Ik heb als vreemdeling gewoond1481 8804 bij5973 ,3837 en heb er tot nu6258 toe vertoefd;309 8799 En ik heb1961 8799 ossen7794 en ezelen,2543 schapen6629 en knechten5650 en maagden;8198 en ik heb gezonden7971 8799 om mijn heer113 aan te zeggen,5046 8687 opdat ik genade2580 vinde4672 8800 in uw ogen.5869 En de boden4397 kwamen weder7725 8799 tot413 ,3290 zeggende:559 8800 zijn gekomen935 8804 tot413 uw broeder,251 tot413 ;6215 en ook1571 trekt hij1980 8802 u tegemoet,7125 8800 en vierhonderd3967 mannen376 met5973 hem. Toen vreesde3372 8799 Jakob3290 zeer,3966 en hem was bange;3334 8799 en hij verdeelde2673 8799 het volk,5971 dat834 met854 hem was, en de schapen,6629 en de runderen,1241 en de kemels,1581 in twee8147 heiren;4264 Want hij zeide:559 8799 Indien518 Ezau6215 op413 het ene259 heir4264 komt,935 8799 en slaat5221 8689 het, zo zal1961 8804 het overgeblevene7604 8737 heir4264 ontkomen.6413 Voorts zeide559 8799 :3290 O, God430 mijns vaders1 ,85 en God430 mijns vaders1 ,3327 o HEERE!3068 tot413 mij gezegd hebt:559 8802 weder7725 8798 tot uw land,776 en tot uw maagschap,4138 en Ik zal wel3190 bij5973 u doen!3190 8686 Ik ben geringer6994 8804 4480 al3605 deze weldadigheden,2617 en 4480 al3605 deze trouw,571 die834 aan Uw knecht5650 gedaan hebt;6213 8804 want3588 ik ben met mijn staf4731 over5674 deze2088 Jordaan3383 gegaan,5674 8804 en nu2658 ben ik tot twee8147 heiren4264 geworden!1961 8804 Ruk mij5337 8685 toch4994 uit4480 mijns broeders251 hand,3027 uit4480 's6215 hand;3027 want3588 ik595 vreze3373 hem,853 dat hij niet misschien6435 kome,935 8799 en mij sla,5221 8689 de moeder517 met5921 de zonen!1121 Gij589 hebt immers gezegd:559 8804 Ik zal gewisselijk3190 8687 bij5973 u weldoen,3190 8686 en Ik zal uw zaad2233 stellen7760 8804 als het zand2344 der zee,3220 dat834 vanwege4480 de menigte7230 niet3808 geteld kan worden!5608 8735 En hij vernachtte3885 8799 aldaar8033 dienzelfden1931 nacht;3915 en hij nam3947 8799 van4480 hetgeen, dat hem in zijn hand3027 kwam,935 8802 een geschenk4503 voor Ezau6215 zijn broeder;251 Tweehonderd3967 geiten5795 en twintig6242 bokken,8495 tweehonderd3967 ooien7353 en twintig6242 rammen;352 Dertig7970 zogende3243 8688 kemelinnen1581 met haar veulens,1121 veertig705 koeien6510 en tien6235 varren,6499 twintig6242 ezelinnen860 en tien6235 jonge ezels.5895 En hij gaf5414 8799 die in de hand3027 zijner knechten,5650 elke5739 kudde5739 bijzonder;909 en hij zeide559 8799 tot413 zijn knechten:5650 gijlieden door,5674 8798 voor mijn aangezicht,6440 en stelt7760 8799 ruimte7305 tussen996 kudde5739 en tussen996 kudde.5739 En hij gebood6680 8762 de eerste,7223 zeggende:559 8800 Wanneer3588 ,6215 mijn broeder,251 u ontmoeten zal,6298 8799 en u vragen,7592 8804 zeggende:559 8800 Wiens4310 zijt gij?589 en waarheen575 gaat gij?3212 8799 en wiens4310 zijn deze428 voor uw aangezicht?6440 Zo zult gij zeggen:559 8804 Dat1931 is een geschenk4503 van uw knecht5650 ,3290 gezonden7971 8803 tot mijn heer,113 tot ,6215 en zie,2009 hij1931 zelf is ook1571 achter310 ons! En hij gebood6680 8762 ook1571 den tweede,8145 ook1571 den derde,7992 ook1571 allen,3605 die de kudden5739 nagingen,1980 8802 310 zeggende:559 8800 ditzelfde2088 woord1697 zult gij spreken1696 8762 tot413 ,6215 als gij hem853 vinden zult.4672 8800 En gij zult ook1571 zeggen:559 8804 ,2009 uw knecht5650 Jakob3290 is achter310 ons! Want3588 hij zeide:559 8804 Ik zal zijn aangezicht6440 verzoenen3722 8762 met dit geschenk,4503 dat voor mijn aangezicht6440 gaat,1980 8802 en daarna310 3651 zal ik zijn aangezicht6440 zien;7200 8799 misschien194 zal hij mijn aangezicht6440 aannemen.5375 8799 Alzo ging5674 8799 dat geschenk4503 heen voor5921 zijn aangezicht;6440 doch hij1931 zelf vernachtte3885 8804 dienzelfden1931 nacht3915 in het leger.4264 En hij stond op6965 8799 in dienzelfden1931 nacht,3915 en hij nam3947 8799 zijn twee8147 vrouwen,802 en zijn twee8147 dienstmaagden,8198 en zijn elf6240 259 kinderen,3206 en hij toog over5674 8799 het veer4569 van de .2999 En hij nam3947 8799 ze, en deed5674 hen over die beek5158 trekken;5674 8686 en hij deed overtrekken5674 8686 hetgeen834 hij had. Doch Jakob3290 bleef3498 alleen909 over;3498 8735 en een man376 worstelde79 8735 met5973 hem, totdat5704 de dageraad7837 opging.5927 8800 En toen zag,7200 8799 dat3588 hem niet3808 overmocht,3201 8804 roerde5060 8799 het gewricht zijner heup3409 aan, zodat het gewricht3709 van Jakobs3290 heup3409 verwrongen werd,3363 8799 als met5973 hem worstelde.79 8736 En zeide:559 8799 gaan,7971 8761 want3588 de dageraad7837 is opgegaan.5927 8804 hij zeide:559 8799 Ik zal U niet3808 laten gaan,7971 8762 tenzij3588 518 dat mij zegent.1288 8765 En zeide559 8799 tot413 hem: Hoe4100 is uw naam?8034 En hij zeide:559 8799 .3290 Toen zeide :559 8799 Uw naam8034 zal voortaan5750 niet3808 Jakob3290 heten,559 8735 maar3588 518 ;3478 want3588 gij hebt u vorstelijk gedragen8280 8804 met5973 God430 en met5973 de mensen,582 en hebt overmocht.3201 8799 En Jakob3290 vraagde,7592 8799 en zeide:559 8799 toch4994 Uw naam8034 te kennen.5046 8685 En zeide:559 8799 Waarom4100 is het,2088 dat gij naar naam8034 vraagt?7592 8799 En zegende1288 8762 hem853 aldaar.8033 En Jakob3290 noemde7121 8799 den naam8034 dier plaats4725 :6439 ,3588 [zeide] [hij] ik heb God430 gezien7200 8804 [van] aangezicht6440 tot413 aangezicht,6440 en mijn ziel5315 is gered geweest.5337 8735 En de zon8121 rees hem op,2224 8799 als834 hij door Pniel6439 gegaan was;5674 8804 en hij1931 was hinkende6760 8802 aan5921 zijn heup.3409 Daarom5921 3651 eten398 8799 de kinderen1121 Israels3478 de verrukte5384 zenuw1517 niet,3808 die834 op5921 het gewricht3709 der heup3409 is, tot5704 op dezen2088 dag,3117 omdat3588 het gewricht3709 van Jakobs3290 heup3409 aangeroerd had,5060 8804 aan de verrukte5384 zenuw.1517

Every verse in Genesis 32

Chapter navigation

0:000:00