Genesis 33:5
“Daarna hief hij5375 zijn ogen5869 op,5375 8799 en zag7200 8799 die vrouwen802 en die kinderen,3206 en zeide:559 8799 Wie4310 zijn deze428 bij u? En hij zeide:559 8799 De kinderen,3206 die834 God430 aan uw knecht5650 genadiglijk verleend heeft.2603 8804”
Genesis 33:5 — Statenvertaling (1637)
Verse 5 of 20 in Genesis chapter 33 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Genesis 33 — full chapter (Statenvertaling (1637))
En Jakob3290 hief5375 zijn ogen5869 op5375 8799 en zag;7200 8799 en ziet,2009 Ezau6215 kwam,935 8802 en vierhonderd702 3967 mannen376 met5973 hem. Toen verdeelde hij2673 8799 de kinderen3206 onder5921 ,3812 en onder5921 ,7354 en onder de twee8147 dienstmaagden.8198 En hij stelde7760 8799 de dienstmaagden8198 en haar kinderen3206 vooraan;7223 en Lea3812 en haar kinderen3206 meer achterwaarts;314 maar 7354 en Jozef3130 de achterste.314 En hij1931 ging voorbij5674 8804 hun aangezicht6440 heen, en hij boog zich7812 8691 zeven7651 malen6471 ter aarde,776 totdat5704 hij bij5704 zijn broeder251 kwam.5066 8800 Toen liep7323 8799 Ezau6215 hem tegemoet,7125 8800 en nam hem in den arm,2263 8762 en viel5307 8799 hem aan5921 den hals,6677 en kuste5401 8799 hem; en zij weenden.1058 8799 Daarna hief hij5375 zijn ogen5869 op,5375 8799 en zag7200 8799 die vrouwen802 en die kinderen,3206 en zeide:559 8799 Wie4310 zijn deze428 bij u? En hij zeide:559 8799 De kinderen,3206 die834 God430 aan uw knecht5650 genadiglijk verleend heeft.2603 8804 Toen traden5066 de dienstmaagden8198 toe,5066 8799 zij2008 en haar kinderen,3206 en zij bogen zich neder.7812 8691 En Lea3812 trad5066 ook1571 toe,5066 8799 met haar kinderen,3206 en zij bogen zich neder;7812 8691 en daarna310 trad5066 Jozef3130 toe5066 8738 en ,7354 en zij bogen zich neder.7812 8691 En hij zeide:559 8799 [] wien4310 is u al3605 dit2088 heir,4264 dat834 ik ontmoet heb?6298 8804 En hij zeide:559 8799 Om genade2580 te vinden4672 8800 in de ogen5869 mijns heren!113 Maar Ezau6215 zeide:559 8799 Ik heb3426 veel,7227 mijn broeder!251 het zij1961 8799 het uwe, wat834 gij hebt! Toen zeide559 8799 :3290 neen!408 4994 indien518 ik nu4994 genade2580 in uw ogen5869 gevonden heb,4672 8804 zo neem3947 8804 mijn geschenk4503 van4480 mijn hand;3027 daarom,3588 omdat5921 3651 ik uw aangezicht6440 gezien heb,7200 8804 als had ik Gods430 aangezicht6440 gezien,7200 8800 en gij welgevallen aan mij genomen hebt.7521 8799 Neem3947 8798 toch4994 mijn zegen,1293 die834 u toegebracht is,935 8717 dewijl3588 het God430 mij genadiglijk verleend heeft,2603 8804 en dewijl3588 ik alles3605 heb;3426 en hij hield bij hem aan,6484 8799 zodat hij het nam.3947 8799 En hij zeide:559 8799 ons reizen5265 8799 en voorttrekken;3212 8799 en ik zal voor5048 u trekken.3212 8799 Maar hij zeide559 8799 tot413 hem: Mijn heer113 weet,3045 8802 dat3588 deze kinderen3206 teder7390 zijn, en dat ik zogende5763 8802 schapen6629 en koeien1241 bij mij heb; indien men dezelve maar een259 dag3117 afdrijft,1849 8804 zo zal de gehele3605 kudde6629 sterven.4191 8804 Mijn heer113 trekke5674 toch4994 voorbij,5674 8799 voor het aangezicht6440 van zijn knecht;5650 en ik589 zal mij op mijn gemak328 als leidsman voegen,5095 8691 naar den gang7272 van het werk,4399 hetwelk834 voor mijn aangezicht6440 is, en naar den gang7272 dezer kinderen,3206 totdat5704 834 ik bij413 mijn heer113 te Seir8165 kome.935 8799 En Ezau6215 zeide:559 8799 mij toch4994 van4480 dit volk,5971 dat834 met854 mij is, u5973 bijstellen.3322 8686 En hij zeide:559 8799 Waartoe4100 dat?2088 laat mij genade2580 vinden4672 8799 in mijns heren113 ogen!5869 Alzo keerde7725 Ezau6215 dien1931 dag3117 wederom7725 8799 zijns weegs1870 naar Seir8165 toe. Maar Jakob3290 reisde5265 8804 naar ,5523 en bouwde1129 8799 een huis1004 voor zich, en maakte6213 8804 hutten5521 voor zijn vee;4735 daarom5921 3651 noemde hij7121 8804 den naam8034 dier plaats4725 .5523 En Jakob3290 kwam935 8799 behouden8004 [tot] de stad5892 ,7927 welke834 is in het land776 ,3667 als hij kwam935 8800 van4480 -;6307 en hij legerde zich2583 8799 in het gezicht6440 der stad.5892 En hij kocht7069 8799 een deel2513 des velds,7704 waarop834 8033 hij zijn tent168 gespannen had,5186 8804 van4480 de hand3027 der zonen1121 van ,2544 den vader1 van ,7927 voor honderd3967 stukken gelds.7192 En hij richtte5324 8686 aldaar8033 een altaar4196 op, en noemde7121 8799 het: De God [is] God!415