Hosea 11:2
“[Maar] [gelijk] zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den Baals, en rookten den gesnedenen beelden.”
Hosea 11:2 — Statenvertaling (1637)
Verse 2 of 12 in Hosea chapter 11 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Hosea 11 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Als een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb zoon uit geroepen. [] [gelijk] zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den , en rookten den gesnedenen beelden. Ik nochtans leerde gaan; Hij nam ze op armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas. Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk [van] op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe. Hij zal in niet wederkeren; maar , die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren. En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendelen verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen. Want volk blijft hangen aan de afkering van ; zij roepen het wel tot den , [maar] niet een verhoogt []. Hoe zou Ik u overgeven, o ? u overleveren, o ? Hoe zou Ik u maken als , u stellen als ? Mijn hart is in omgekeerd, al berouw is te zamen ontstoken. Ik zal de hittigheid toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om te verderven; want Ik ben God en geen mens, de in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen. Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer brullen zal, zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit , en als een duif uit het land van ; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt de HEERE. [012:1] van hebben omsingeld met leugen, en het huis met bedrog; maar heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw.