Hosea 5:13
“Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.”
Hosea 5:13 — Statenvertaling (1637)
Verse 13 of 15 in Hosea chapter 5 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Hosea 5 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis ! en neemt ter oren, gij huis des konings! want ulieden [gaat] dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te , en een uitgespannen op . En die afwijken, verdiepen zich [om] te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn. Ik ken , en is voor niet verborgen; dat gij, o ! nu hoereert, [en] verontreinigd is. Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE kennen zij niet. Dies zal hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en en zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal met hen vallen. Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij [] gaan, om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft van hen onttrokken. Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen. Blaast de bazuin te , de trompet te ; roept luide [te] -aven; achter u, ! Efraim zal tot verwoesting worden, ten dage der straf; onder de stammen heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is. De vorsten van zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal verbolgenheid, als water, over hen uitgieten. Efraim is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft [zo] gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod. Daarom zal Ik zijn als een mot, en den huize van als een verrotting. Als zijn krankheid zag, en zijn gezwel, zo toog tot , en hij zond tot den koning ; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen. Want Ik zal zijn als een felle leeuw, en den huize van als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Ik zal henengaan [en] keren weder tot plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij vroeg zoeken.