Isaiah 2:22
“Laat gijlieden [dan] af2308 8798 van den mens,120 wiens adem5397 in zijn neus639 is, want waarin is hij te achten?2803 8737”
Isaiah 2:22 — Statenvertaling (1637)
Verse 22 of 22 in Isaiah chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Isaiah 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Het woord,1697 dat ,3470 de zoon1121 van ,531 gezien heeft2372 8804 over Juda3063 en .3389 En het zal geschieden in het laatste319 der dagen,3117 dat de berg2022 van het huis1004 des HEEREN3068 zal vastgesteld zijn3559 8737 op den top7218 der bergen,2022 en dat hij zal verheven worden5375 8737 boven de heuvelen,1389 en tot denzelven zullen alle heidenen1471 toevloeien.5102 8804 En vele7227 volken5971 zullen heengaan1980 8804 en zeggen:559 8804 ,3212 8798 laat ons opgaan5927 8799 tot den berg2022 des HEEREN,3068 tot het huis1004 van den God430 ,3290 opdat ons lere3384 8686 van wegen,1870 en dat wij wandelen3212 8799 in paden;734 want uit Sion6726 zal de wet8451 uitgaan,3318 8799 en des HEEREN3068 woord1697 uit .3389 En zal rechten8199 8804 onder de heidenen,1471 en bestraffen3198 8689 vele7227 volken;5971 en zij zullen hun zwaarden2719 slaan3807 8765 tot spaden,855 en hun spiesen2595 tot sikkelen;4211 het [ene] volk1471 zal tegen het [andere] volk1471 geen zwaard2719 opheffen,5375 8799 en zij zullen geen oorlog4421 meer leren.3925 8799 Komt,3212 8798 gij huis1004 van ,3290 en laat ons wandelen3212 8799 in het licht216 des HEEREN.3068 Maar hebt Uw volk,5971 het huis1004 van ,3290 verlaten,5203 8804 want zij zijn vervuld4390 8804 [met] [goddeloosheid], meer het oosten,6924 en zij zijn guichelaars6049 8781 gelijk de ,6430 en aan de kinderen3206 der vreemden5237 tonen zij hun behagen.5606 8686 En hun land776 is vervuld4390 8735 met zilver3701 en goud,2091 en hunner schatten214 is geen einde;7097 hun land776 is ook vervuld4390 8735 met paarden,5483 en hunner wagenen4818 is geen einde.7097 Ook is hun land776 vervuld4390 8735 met afgoden;457 voor het werk4639 hunner handen3027 buigen zij zich neder,7812 8691 voor hetgeen hun vingeren676 gemaakt hebben.6213 8804 Daar bukt zich7817 8735 de gemene man,120 en de aanzienlijke man376 vernedert zich;8213 8799 daarom zult het hun niet vergeven.5375 8799 Ga935 8798 in den rotssteen,6697 en verberg u2934 8734 in het stof,6083 vanwege6440 den schrik6343 des HEEREN,3068 en om de heerlijkheid1926 majesteit.1347 De hoge1365 ogen5869 der mensen120 zullen vernederd worden,8213 8804 en de hoogheid7312 der mannen582 zal nedergebogen worden;7817 8804 en de HEERE3068 alleen zal in dien dag3117 verheven zijn.7682 8738 Want de dag3117 des HEEREN3068 der heirscharen6635 zal zijn tegen allen hovaardige1343 en hoge,7311 8802 en tegen allen verhevene,5375 8737 opdat hij vernederd worde;8213 8804 En tegen alle hoge7311 8802 en verhevene5375 8737 cederen730 van ,3844 en tegen alle eiken437 van ;1316 En tegen alle hoge7311 8802 bergen,2022 en tegen alle verhevene5375 8737 heuvelen;1389 En tegen allen hogen1364 toren,4026 en tegen allen vasten1219 8803 muur;2346 En tegen alle schepen591 van ,8659 en tegen alle gewenste2532 schilderijen.7914 En de hoogheid1365 der mensen120 zal gebogen,7817 8804 en de hoogheid7312 der mannen582 zal vernederd worden;8213 8804 en de HEERE3068 alleen zal in die dag3117 verheven zijn.7682 8738 En elkeen der afgoden457 zal ganselijk3632 vergaan.2498 8799 zullen zij in de spelonken4631 der rotsstenen6697 gaan,935 8804 en in de holen4247 der aarde,6083 vanwege6440 den schrik6343 des HEEREN,3068 en vanwege de heerlijkheid1926 majesteit,1347 wanneer opmaken zal,6965 8800 om de aarde776 te verschrikken.6206 8800 In dien dag3117 zal de mens120 zijn zilveren3701 afgoden,457 en zijn gouden2091 afgoden,457 welke zij zich gemaakt hadden,6213 8804 om zich [daarvoor] neder te buigen,7812 8692 wegwerpen7993 8686 voor de mollen2661 6512 en de vledermuizen;5847 Gaande935 8800 in de reten5366 der rotsen,6697 en in de kloven5585 der steenrotsen,5553 vanwege6440 den schrik6343 des HEEREN,3068 en vanwege de heerlijkheid1926 majesteit,1347 wanneer opmaken zal,6965 8800 om de aarde776 geweldiglijk te verschrikken.6206 8800 Laat gijlieden [] af2308 8798 van den mens,120 wiens adem5397 in zijn neus639 is, want waarin is hij te achten?2803 8737