Isaiah 3:24

“En het zal geschieden, dat er voor specerij1314 stank4716 zal zijn, en lossigheid5364 voor een gordel,2290 en kaalheid7144 in plaats van haarvlechten,4639 4748 en omgording4228 eens zaks8242 in plaats van een wijden rok,6614 en verbranding3587 in plaats van schoonheid.3308”

Isaiah 3:24 — Statenvertaling (1637)

Verse 24 of 26 in Isaiah chapter 3 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Isaiah 3 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Want ziet, de ,113 HEERE3068 der heirscharen,6635 zal van Jeruzalem3389 en van Juda3063 wegnemen5493 8688 den stok4937 en den staf,4938 allen stok4937 des broods,3899 en allen3605 stok4937 des waters;4325 Den held1368 en den krijgsman,376 4421 den rechter8199 8802 en den profeet,5030 en den waarzegger,7080 8802 en den oude;2205 Den overste8269 van vijftig,2572 en den aanzienlijke,5375 8803 6440 en den raadsman,3289 8802 en den wijze2450 onder de werkmeesters,2791 en dien, die kloek995 8737 ter tale3908 is. En Ik zal jongelingen5288 stellen5414 8804 [tot] hun vorsten,8269 en kinderen8586 zullen over hen heersen;4910 8799 En het volk5971 zal gedrongen worden,5065 8738 de een376 zal zijn tegen den ander,376 en een iegelijk376 tegen zijn naaste;7453 de jongeling5288 zal stout zijn7292 8799 tegen den oude,2205 de verachte7034 8737 tegen den eerlijke.3513 8737 Wanneer iemand376 zijn broeder251 uit het huis1004 zijns vaders1 zal aangrijpen,8610 8799 [zeggende]: Gij hebt een kleed,8071 wees ons ten overste,7101 laat toch dezen aanstoot4384 onder uw hand3027 wezen; [Zo] zal hij in dien dag3117 [zijn] [hand] opheffen,5375 8799 zeggende:559 8800 Ik kan geen heelmeester wezen;2280 8802 er is ook geen brood3899 en geen kleed8071 in mijn huis;1004 zet7760 8799 mij niet tot een overste7101 des volks.5971 Want Jeruzalem3389 heeft aangestoten,3782 8804 en Juda3063 is gevallen,5307 8804 dewijl hun tong3956 en zijn handelingen4611 tegen den HEERE3068 zijn, om de ogen5869 heerlijkheid3519 te verbitteren.4784 8687 Het gelaat1971 huns aangezichts6440 getuigt6030 8804 tegen hen, en hun zonden2403 spreken zij vrij uit,5046 8689 gelijk ;5467 zij verbergen3582 8765 ze niet. Wee188 hunlieder ziel;5315 want zij doen1580 8804 zichzelven kwaad.7451 Zegt559 8798 den rechtvaardige,6662 dat het [hem] wel2896 gaan zal; dat zij de vrucht6529 hunner werken4611 zullen eten.398 8799 Wee188 den goddeloze,7563 het zal [hem] kwalijk7451 gaan, want de vergelding1576 zijner handen3027 zal hem geschieden.6213 8735 De drijvers5065 8802 volks5971 zijn kinderen,5953 8781 en vrouwen802 heersen4910 8804 over hetzelve. O volk!5971 die u leiden,833 8764 verleiden8582 8688 [u], en den weg1870 uwer paden734 slokken zij in.1104 8765 De HEERE3068 stelt Zich5324 8737 om te pleiten,7378 8800 en staat,5975 8802 om de volken5971 te richten.1777 8800 De HEERE3068 komt935 8799 ten gerichte4941 tegen de oudsten2205 volks5971 en deszelfs vorsten,8269 want gijlieden hebt dezen wijngaard3754 verteerd;1197 8765 de roof1500 des ellendigen6041 is in uwe huizen.1004 Wat is ulieden, dat gij volk5971 verbrijzelt,1792 8762 en de aangezichten6440 der ellendigen6041 vermaalt?2912 8799 spreekt5002 8803 de ,136 HEERE3069 der heirscharen.6635 Verder zegt559 8799 de HEERE:3068 dat3282 de dochteren1323 van Sion6726 zich verheffen,1361 8804 en gaan3212 8799 met uitgestrekten5186 8803 hals,1627 en lonken8265 8764 met de ogen,5869 al gaande1980 8800 en trippelende2952 8800 daarhenen treden,3212 8799 en alsof haar voeten7272 gebonden waren.5913 8762 Zo zal de HEERE136 den schedel6936 der dochteren1323 van Sion6726 schurftig maken,5596 8765 en de HEERE3068 zal haar schaamte6596 ontbloten.6168 8762 Ten zelfden dage3117 zal de HEERE136 wegnemen5493 8686 het sieraad8597 der kousebanden,5914 en de netjes,7636 en de maantjes,7720 De reukdoosjes,5188 en de kleine ketentjes,8285 en de glinsterende kledingen,7479 De hoofdkroning,6287 en de armversierselen,6807 en de bindselen,7196 en de reukballetjes,5315 1004 en de oorringen,3908 De ringen2885 en de voorhoofdsierselen,639 5141 De wisselklederen,4254 en de manteltjes,4595 en de hoedjes,4304 en de buidels,2754 De spiegels,1549 en de fijn-linnen5466 deksels, en de hulledoeken,6797 en de sluiers.7289 En het zal geschieden, dat er voor specerij1314 stank4716 zal zijn, en lossigheid5364 voor een gordel,2290 en kaalheid7144 in plaats van haarvlechten,4639 4748 en omgording4228 eens zaks8242 in plaats van een wijden rok,6614 en verbranding3587 in plaats van schoonheid.3308 Uw mannen4962 zullen door het zwaard2719 vallen,5307 8799 en uw helden1369 in den strijd.4421 En haar poorten6607 zullen treuren,578 8804 en leed dragen,56 8804 en zij zal, ledig gemaakt zijnde,5352 8738 op de aarde776 zitten.3427 8799

Every verse in Isaiah 3

Chapter navigation

0:000:00