Jeremiah 10:13
“Als Hij Zijn stem6963 geeft,5414 8800 zo is er een gedruis1995 van wateren4325 in den hemel,8064 en Hij doet de dampen5387 opklimmen5927 8686 van het einde7097 der aarde;776 Hij maakt6213 8804 de bliksemen1300 met den regen,4306 en doet den wind7307 voortkomen3318 8686 uit Zijn schatkameren.214”
Jeremiah 10:13 — Statenvertaling (1637)
Verse 13 of 25 in Jeremiah chapter 10 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Jeremiah 10 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Hoort8085 8798 het woord,1697 dat de HEERE3068 tot ulieden spreekt,1696 8765 o huis1004 !3478 Zo zegt559 8804 de HEERE:3068 Leert3925 8799 den weg1870 der heidenen1471 niet, en ontzet u2865 8735 niet voor de tekenen226 des hemels,8064 dewijl zich de heidenen1471 voor dezelve1992 ontzetten.2865 8735 Want de inzettingen2708 der volken5971 zijn ijdelheid;1892 want het is hout,6086 dat men uit het woud3293 gehouwen heeft,3772 8804 een werk4639 van des werkmeesters2796 handen3027 met de bijl.4621 Men pronkt het op3302 8762 met zilver3701 en met goud;2091 zij hechten2388 8762 ze met nagelen4548 en met hameren,4717 opdat het niet waggele.6328 8686 Zij zijn gelijk een palmboom8560 van dicht werk,4749 maar kunnen niet spreken;1696 8762 zij moeten5375 8800 gedragen worden,5375 8735 want zij kunnen niet gaan;6805 8799 vreest3372 8799 niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen,7489 8686 ook is er geen goeddoen3190 8687 bij hen. Omdat niemand U gelijk is, o HEERE!3068 zo zijt groot,1419 en groot1419 is Uw Naam8034 in mogendheid.1369 Wie zou U niet vrezen,3372 8799 Koning4428 der heidenen?1471 het komt U toe;2969 8804 omdat toch onder alle wijzen2450 der heidenen,1471 en in hun ganse koninkrijk,4438 niemand U gelijk is. In een259 ding zijn zij toch onvernuftig1197 8799 en zot:3688 8799 een hout6086 is een onderwijs4148 der ijdelheden.1892 Uitgerekt7554 8794 zilver3701 wordt van Tarsis8659 gebracht,935 8714 en goud2091 van ,210 [tot] [een] werk4639 des werkmeesters2796 en van de handen3027 des goudsmids;6884 8802 hemelsblauw8504 en purper713 is hun kleding,3830 een werk4639 der wijzen2450 zijn zij al te zamen. Maar de HEERE3068 God430 is de ,571 is de levende2416 God,430 en een eeuwig5769 ;4428 van verbolgenheid7110 beeft7493 8799 de aarde,776 en de heidenen1471 kunnen gramschap2195 niet verdragen.3557 8686 (Aldus1836 zult gijlieden tot hen zeggen:560 8748 De goden,426 die den hemel8065 en de aarde778 niet3809 gemaakt hebben,5648 8754 zullen vergaan7 8748 van de aarde,772 en van onder8460 dezen429 hemel.8065) Die de aarde776 gemaakt heeft6213 8802 door kracht,3581 de wereld8398 bereid heeft3559 8688 door wijsheid,2451 en den hemel8064 uitgebreid5186 8804 door verstand.8394 Als stem6963 geeft,5414 8800 zo is er een gedruis1995 van wateren4325 in den hemel,8064 en doet de dampen5387 opklimmen5927 8686 van het einde7097 der aarde;776 maakt6213 8804 de bliksemen1300 met den regen,4306 en doet den wind7307 voortkomen3318 8686 uit schatkameren.214 Een ieder mens120 is onvernuftig geworden,1197 8738 zodat hij geen wetenschap1847 heeft, een ieder goudsmid6884 8802 is beschaamd3001 8689 van het gesneden beeld;6459 want zijn gegoten beeld5262 is leugen;8267 en er is geen geest7307 in hen. Ijdelheid1892 zijn zij, een werk4639 van verleidingen;8595 ten tijde6256 hunner bezoeking6486 zullen zij vergaan.6 8799 Jakobs3290 deel2506 is niet gelijk die, want is de Formeerder3335 8802 van alles, en 3478 is de roede7626 erfenis;5159 HEERE3068 der heirscharen6635 is .8034 Raap622 uw kramerij3666 weg622 8798 uit het land,776 gij inwoneres3427 8802 der vesting!4692 Want zo zegt559 8804 de HEERE:3068 , Ik zal de inwoners3427 8802 des lands776 op ditmaal6471 wegslingeren,7049 8802 en zal ze benauwen,6887 8689 opdat zij het vinden.4672 8799 O, wee188 mij over mijn breuk!7667 mijn plage4347 is smartelijk;2470 8737 en ik had gezegd:559 8804 is immers389 een krankheid,2483 die ik wel dragen zal!5375 8799 Mijn tent168 is verstoord,7703 8795 en al mijn zelen4340 zijn verscheurd;5423 8738 mijn kinderen1121 zijn van mij uitgegaan,3318 8804 en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent168 uitspant,5186 8802 en mijn gordijnen3407 opricht.6965 8688 Want de herders7462 8802 zijn onvernuftig geworden,1197 8738 en hebben den HEERE3068 niet gezocht;1875 8804 daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld,7919 8689 en hun ganse weide4830 is verstrooid.6327 8738 Ziet, er komt935 8802 een stem6963 des geruchts,8052 en een groot1419 beven7494 uit het land776 van het noorden;6828 dat men de steden5892 van Juda3063 zal stellen7760 8800 tot een verwoesting,8077 een woning4583 der draken.8577 Ik weet,3045 8804 o HEERE!3068 dat bij den mens120 zijn weg1870 niet is; het is niet bij een man,376 die wandelt,1980 8802 dat hij zijn gang6806 richte.3559 8687 Kastijd3256 8761 mij, HEERE!3068 doch met mate;4941 niet in Uw toorn,639 opdat mij niet te niet maakt.4591 8686 Stort8210 Uw grimmigheid2534 uit8210 8798 over de heidenen,1471 die U niet kennen,3045 8804 en over de geslachten,4940 die Uw Naam8034 niet aanroepen;7121 8804 want zij hebben Jakob3290 opgegeten,398 8804 ja, zij hebben hem opgegeten,398 8804 en hem verteerd,3615 8762 en zijn woning5116 verwoest.8074 8689