Jeremiah 14:7

“Hoewel onze ongerechtigheden5771 tegen ons getuigen,6030 8804 o HEERE!3068 doe6213 8798 [het] om Uws Naams8034 wil; want onze afkeringen4878 zijn menigvuldig,7231 8804 wij hebben tegen U gezondigd.2398 8804”

Jeremiah 14:7 — Statenvertaling (1637)

Verse 7 of 22 in Jeremiah chapter 14 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Jeremiah 14 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Het woord1697 des HEEREN,3068 dat tot Jeremia3414 geschied is, over de zaken1697 der grote droogte.1226 Juda3063 treurt56 8804 en haar poorten8179 zijn verzwakt;535 8797 zij zijn in het zwart gekleed6937 8804 ter aarde776 toe, en Jeruzalems3389 geschrei6682 klimt op.5927 8804 En hun voortreffelijken117 zenden7971 8804 hun kleinen6810 naar water;4325 zij komen935 8804 tot de grachten,1356 8676 1360 zij vinden4672 8804 geen water,4325 zij komen7725 [met] hun vaten3627 ledig7387 weder;7725 8804 zij zijn beschaamd,954 8804 ja, worden schaamrood,3637 8717 en bedekken2645 8804 hun hoofd.7218 Omdat het aardrijk127 gescheurd is,2865 8804 dewijl er geen regen1653 op de aarde776 is; de akkerlieden406 zijn beschaamd,954 8804 zij bedekken2645 8804 hun hoofd.7218 Want ook de hinden365 in het veld7704 werpen jongen,3205 8804 en verlaten5800 8800 [die], omdat er geen jong gras1877 is. En de woudezels6501 staan5975 8804 op de hoge plaatsen,8205 zij scheppen7602 8804 den wind7307 gelijk de draken;8577 hun ogen5869 versmachten,3615 8804 omdat er geen kruid6212 is. Hoewel onze ongerechtigheden5771 tegen ons getuigen,6030 8804 o HEERE!3068 doe6213 8798 [het] om Naams8034 wil; want onze afkeringen4878 zijn menigvuldig,7231 8804 wij hebben tegen U gezondigd.2398 8804 O Israels3478 ,4723 Verlosser3467 8688 in tijd6256 van benauwdheid!6869 waarom zoudt zijn als een vreemdeling1616 in het land,776 en als een reiziger,732 8802 [die] [slechts] inkeert5186 8804 om te vernachten?3885 8800 Waarom zoudt zijn als een versaagd1724 8737 man,376 als een held,1368 [die] niet kan3201 8799 verlossen?3467 8687 zijt toch in het midden7130 van ons, o HEERE!3068 en wij zijn naar Uw Naam8034 genoemd,7121 8738 verlaat3240 8686 ons niet. Alzo zegt559 8804 de HEERE3068 van dit volk:5971 hebben zo liefgehad157 8804 te zwerven,5128 8800 zij hebben hun voeten7272 niet bedwongen;2820 8804 daarom heeft de HEERE3068 geen welgevallen7521 8804 aan hen, nu zal hunner ongerechtigheden5771 gedenken,2142 8799 en hun zonden2403 bezoeken.6485 8799 Wijders zeide559 8799 de HEERE3068 tot mij: Bid6419 8691 niet voor dit volk5971 ten goede.2896 Ofschoon zij vasten,6684 8799 Ik zal naar hun geschrei7440 niet horen,8085 8802 en ofschoon zij brandoffer5930 en spijsoffer4503 offeren,5927 8686 Ik zal aan hen geen welgevallen hebben;7521 8802 maar door het zwaard,2719 en door den honger,7458 en door de pestilentie1698 zal Ik hen verteren.3615 8764 Toen zeide ik:559 8799 ,162 Heere136 HEERE!3069 zie, die profeten5030 zeggen559 8802 hun: Gij zult geen zwaard2719 zien,7200 8799 en gij zult geen honger7458 hebben; maar Ik zal u een gewissen571 vrede7965 geven5414 8799 in deze plaats.4725 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot mij: Die profeten5030 profeteren5012 8737 vals8267 in ;8034 Ik heb hen niet gezonden,7971 8804 noch hun bevel gegeven,6680 8765 noch tot hen gesproken;1696 8765 zij profeteren5012 8693 ulieden een vals8267 gezicht,2377 en waarzegging,7081 en nietigheid,457 8675 434 en bedriegerij8649 huns harten.3820 Daarom zegt559 8804 de HEERE3068 alzo: Aangaande de profeten,5030 die in Naam8034 profeteren,5012 8737 daar Ik hen niet gezonden heb,7971 8804 en zij [] [nog] zeggen:559 8802 Er zal geen zwaard2719 noch honger7458 in dit land776 zijn; diezelve profeten5030 zullen door het zwaard2719 en door den honger7458 verteerd worden.8552 8735 En het volk,5971 tot hetwelk834 zij1992 profeteren,5012 8737 zullen op de straten2351 van Jeruzalem3389 weggeworpen7993 8716 zijn1961 8799 vanwege6440 den honger7458 en het zwaard;2719 en er zal niemand zijn,369 die hen1992 begrave,6912 8764 hen,1992 hun vrouwen,802 en hun zonen,1121 en hun dochteren;1323 alzo zal Ik hun boosheid7451 over5921 hen uitstorten.8210 8804 Daarom zult gij dit woord1697 tot hen zeggen:559 8804 ogen5869 zullen van tranen1832 nederdalen3381 8799 nacht3915 en dag,3119 en niet ophouden;1820 8799 want de jonkvrouw1330 der dochter1323 volks5971 is gebroken7665 8738 [met] een grote1419 breuk,7667 een plage,4347 die zeer3966 smartelijk2470 8737 is. Zo ik uitga3318 8804 in het veld,7704 ziet daar de verslagenen2491 van het zwaard,2719 en zo ik in de stad5892 kome,935 8804 ziet daar de kranken8463 van honger!7458 Ja, zowel de profeten5030 als de priesters3548 lopen om5503 8804 in het land,776 en weten3045 8804 niet. Hebt Juda3063 ganselijk3988 8800 verworpen?3988 8804 Uw ziel5315 een walging1602 8804 aan ?6726 hebt ons geslagen,5221 8689 dat er geen genezing4832 voor ons is? Men wacht naar6960 8763 vrede,7965 maar daar is niets goeds,2896 en naar tijd6256 van genezing,4832 maar ziet, daar is verschrikking.1205 HEERE!3068 wij kennen3045 8804 onze goddeloosheid,7562 [en] onzer vaderen1 ongerechtigheid,5771 want wij hebben tegen U gezondigd.2398 8804 Versmaad5006 8799 [ons] niet, om Naams8034 wil; werp5034 den troon3678 heerlijkheid3519 niet neder;5034 8762 gedenk,2142 8798 vernietig6565 8686 niet Uw verbond1285 met ons. Zijn er3426 onder de ijdelheden1892 der heidenen,1471 die doen regenen,1652 8688 of kan de hemel8064 druppelen7241 geven?5414 8799 die niet, o HEERE,3068 onze God?430 zullen wij op U wachten,6960 8762 want doet6213 8804 al die dingen.

Every verse in Jeremiah 14

Chapter navigation

0:000:00