Job 2:3
“En de HEERE3068 zeide559 8799 tot413 den satan:7854 Hebt gij [ook] acht3820 geslagen7760 8804 op413 Mijn knecht5650 Job?347 Want3588 niemand is369 op de aarde776 gelijk3644 hij, een man,376 oprecht8535 en vroom,3477 godvrezende3373 430 en wijkende5493 8802 van4480 het kwaad;7451 en hij houdt2388 nog5750 vast2388 8688 aan zijn oprechtigheid,8538 hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt,5496 8686 om hem te verslinden1104 8763 zonder oorzaak.2600”
Job 2:3 — Statenvertaling (1637)
Verse 3 of 13 in Job chapter 2 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Job 2 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Wederom was1961 8799 er een dag,3117 als de kinderen1121 Gods430 kwamen,935 8799 om zich voor5921 den HEERE3068 te stellen,3320 8692 dat de 7854 ook1571 in het midden8432 van hen kwam,935 8799 om zich voor5921 den HEERE3068 te stellen.3320 8692 Toen zeide559 8799 de HEERE3068 tot413 den :7854 Van4480 2088 waar335 komt gij?935 8799 En de 7854 antwoordde6030 8799 den HEERE,3068 en zeide:559 8799 Van4480 om te trekken7751 8800 op de aarde,776 en van4480 die te doorwandelen.1980 8692 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot413 den :7854 gij [ook] acht3820 geslagen7760 8804 op413 knecht5650 ?347 Want3588 niemand is369 op de aarde776 gelijk3644 hij, een man,376 oprecht8535 en vroom,3477 godvrezende3373 430 en wijkende5493 8802 van4480 het kwaad;7451 en hij houdt2388 nog5750 vast2388 8688 aan zijn oprechtigheid,8538 hoewel gij tegen hem opgehitst hebt,5496 8686 om hem te verslinden1104 8763 zonder oorzaak.2600 Toen antwoordde6030 8799 de 7854 den HEERE,3068 en zeide:559 8799 Huid5785 voor1157 huid,5785 en al3605 wat834 iemand376 heeft, zal hij geven5414 8799 voor1157 zijn leven.5315 Doch199 strek7971 nu4994 Uw hand3027 uit,7971 8798 en tast5060 8798 zijn413 gebeente6106 en zijn413 vlees1320 aan;413 zo518 hij U niet3808 in413 Uw aangezicht6440 zal zegenen!1288 8762 En de HEERE3068 zeide559 8799 tot413 den :7854 ,2009 hij zij in uw hand,3027 doch389 verschoon8104 8798 zijn leven.5315 Toen ging3318 de 7854 uit3318 8799 van4480 het aangezicht6440 des HEEREN,3068 en sloeg5221 8686 347 met boze7451 zweren,7822 van4480 zijn voetzool3709 7272 af tot5704 zijn schedel6936 toe. En hij nam3947 8799 zich een potscherf,2789 om zich daarmede te schrabben,1623 8692 en hij1931 zat neder3427 8802 in het midden8432 der as.665 Toen zeide559 8799 zijn huisvrouw802 tot hem: Houdt gij2388 nog5750 vast2388 8688 aan uw oprechtigheid?8538 Zegen1288 8761 God,430 en sterf.4191 8798 Maar hij zeide559 8799 tot413 haar: Gij spreekt1696 8762 als een259 der zottinnen5036 spreekt;1696 8763 ja,1571 zouden wij het goede2896 van4480 God430 ontvangen,6901 8762 en het kwade7451 niet3808 ontvangen?6901 8762 In dit2063 alles3605 zondigde2398 8804 347 met zijn lippen8193 niet.3808 Als nu de drie7969 vrienden7453 van 347 gehoord hadden8085 8799 al3605 dit2063 kwaad,7451 dat over5921 hem gekomen was,935 8802 kwamen zij,935 8799 ieder376 uit4480 zijn plaats,4725 ,464 de ,8489 en ,1085 de ,7747 en ,6691 de ;5284 en zij waren het eens geworden,3259 8735 3162 dat zij kwamen935 8800 om hem te beklagen,5110 8800 en om hem te vertroosten.5162 8763 En toen zij hun ogen5869 van4480 verre7350 ophieven,5375 8799 kenden zij5234 8689 hem niet,3808 en hieven5375 hun stem6963 op,5375 8799 en weenden;1058 8799 daartoe scheurden zij7167 8799 een ieder376 zijn mantel,4598 en strooiden2236 8799 stof6083 op5921 hun hoofden7218 naar den hemel.8064 Alzo zaten zij3427 8799 met854 hem op de aarde,776 zeven7651 dagen3117 en zeven7651 nachten;3915 en niemand369 sprak1696 8802 tot413 hem een woord,1697 want3588 zij zagen,7200 8804 dat de smart3511 zeer3966 groot was.1431 8804