Job 20:27

“De hemel8064 zal zijn ongerechtigheid5771 openbaren,1540 8762 en de aarde776 zal zich tegen hem opmaken.6965 8693”

Job 20:27 — Statenvertaling (1637)

Verse 27 of 29 in Job chapter 20 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Job 20 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Toen antwoordde6030 8799 ,6691 de ,5284 en zeide:559 8799 Daarom3651 doen mijn gedachten5587 mij antwoorden,7725 8686 en over zulks is mijn verhaasten2363 8800 in mij. Ik heb aangehoord8085 8799 een bestraffing,4148 die mij schande aandoet;3639 maar de geest7307 zal uit4480 mijn verstand998 voor mij antwoorden.6030 8799 Weet gij3045 8804 dit?2063 Van4480 altoos5703 af, van4480 dat [God] den mens120 op5921 de wereld776 gezet heeft,7760 8800 Dat3588 het gejuich7445 de goddelozen7563 van4480 nabij7138 geweest is, en de vreugde8057 des huichelaars2611 voor een ogenblik?7281 Wanneer518 zijn hoogheid7863 tot den hemel8064 toe opklomme,5927 8799 en zijn hoofd7218 tot aan de wolken5645 raakte;5060 8686 Zal hij, gelijk zijn drek,1561 in eeuwigheid5331 vergaan;6 8799 die hem gezien hadden,7200 8802 zullen zeggen:559 8799 Waar335 is hij? Hij zal wegvlieden5774 8799 als een droom,2472 dat men hem niet3808 vinden zal,4672 8799 en hij zal verjaagd worden5074 8714 als een gezicht2384 des nachts.3915 Het oog,5869 dat hem zag,7805 8804 zal het niet3808 meer doen;3254 8686 en zijn plaats4725 zal hem niet3808 meer5750 aanschouwen.7789 8799 Zijn kinderen1121 zullen zoeken7521 den armen1800 te behagen;7521 8762 en zijn handen3027 zullen zijn vermogen202 moeten weder uitkeren.7725 8686 Zijn beenderen6106 zullen vol4390 van zijn verborgene5934 [zonden] zijn;4390 8804 van welke elkeen met5973 hem op5921 het stof6083 nederliggen zal.7901 8799 Indien518 het kwaad7451 in zijn mond6310 zoet is,4985 8686 hij dat verbergt,3582 8686 onder8478 zijn tong,3956 Hij dat5921 spaart,2550 8799 en hetzelve niet3808 verlaat,5800 8799 maar dat in het midden8432 van zijn gehemelte2441 inhoudt;4513 8799 Zijn spijze3899 zal in zijn ingewand4578 veranderd worden;2015 8738 gal4846 der adderen6620 zal zij in het binnenste7130 van hem zijn. Hij heeft goed2428 ingeslokt,1104 8804 maar zal het uitspuwen;6958 8686 God410 zal het uit4480 zijn buik990 uitdrijven.3423 8686 Het vergif7219 der adderen6620 zal hij zuigen;3243 8799 de tong3956 der slang660 zal hem doden.2026 8799 De stromen,6390 rivieren,5104 beken5158 van honig1706 en boter2529 zal hij niet408 zien.7200 8799 Den arbeid3022 zal hij wedergeven7725 8688 en niet3808 inslokken;1104 8799 naar het vermogen2428 zijner verandering,8545 zo zal hij van vreugde5965 niet3808 opspringen.5965 8799 Omdat3588 hij onderdrukt heeft,7533 8765 de armen1800 verlaten heeft,5800 8804 een huis1004 geroofd heeft,1497 8804 dat hij niet3808 opgebouwd had;1129 8799 Omdat3588 hij geen3808 rust7961 in zijn buik990 gekend heeft,3045 8804 zo zal hij van zijn gewenst goed2530 8803 niet3808 uitbehouden.4422 8762 Er zal niets369 overig8300 zijn,369 dat hij ete;400 daarom5921 3651 zal hij niet3808 wachten2342 8799 naar zijn goed.2898 Als zijn genoegzaamheid5607 zal vol zijn,4390 8800 8675 4390 8763 zal hem bang zijn;3334 8799 alle3605 hand3027 des ellendigen6001 zal over hem komen.935 8799 Er zij1961 8799 [wat] om zijn buik990 te vullen;4390 8763 [God] zal over hem de hitte2740 toorns639 zenden,7971 8762 en over hem regenen4305 8686 op5921 zijn spijze.3894 Hij zij gevloden1272 8799 van4480 de ijzeren1270 wapenen,5402 de stalen5154 boog7198 zal hem doorschieten.2498 8799 Men zal [het] [zwaard] uittrekken,8025 8804 het zal uit4480 het lijf1465 uitgaan,3318 8799 en glinsterende1300 uit4480 zijn gal4846 voortkomen;1980 8799 verschrikkingen367 zullen over5921 hem zijn. Alle3605 duisternis2822 zal verborgen zijn2934 8803 in zijn schuilplaatsen;6845 8803 een vuur,784 dat niet3808 opgeblazen is,5301 8795 zal hem verteren;398 8762 den overigen8300 in zijn tent168 zal het kwalijk gaan.3415 8799 De hemel8064 zal zijn ongerechtigheid5771 openbaren,1540 8762 en de aarde776 zal zich tegen hem opmaken.6965 8693 De inkomste2981 van zijn huis1004 zal weggevoerd worden;1540 8799 het zal al henenvloeien5064 8737 in den dag3117 toorns.639 Dit2088 is het deel2506 des goddelozen7563 mensen120 van4480 God,430 en de erve5159 zijner redenen561 van4480 God.410

Every verse in Job 20

Chapter navigation

0:000:00