Job 29:3

“Toen Hij Zijn lamp5216 deed schijnen1984 8800 over5921 mijn hoofd,7218 [en] ik bij Zijn licht216 de duisternis2822 doorwandelde;3212 8799”

Job 29:3 — Statenvertaling (1637)

Verse 3 of 25 in Job chapter 29 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Job 29 — full chapter (Statenvertaling (1637))

En 347 ging voort3254 8686 zijn spreuk4912 op te heffen,5375 8800 en zeide:559 8799 Och, of4310 5414 8799 ik ware, gelijk in de vorige6924 maanden,3391 gelijk in de dagen,3117 [toen] God433 mij bewaarde!8104 8799 Toen 5216 deed schijnen1984 8800 over5921 mijn hoofd,7218 [en] ik bij licht216 de duisternis2822 doorwandelde;3212 8799 Gelijk als834 ik was1961 8804 in de dagen3117 mijner jonkheid,2779 toen Gods433 verborgenheid5475 over5921 mijn tent168 was; Toen de Almachtige7706 nog5750 met5978 mij was, [en] mijn jongens5288 rondom5439 mij; Toen ik mijn gangen1978 wies7364 8800 in boter,2529 en de rots6697 bij5978 mij oliebeken6388 8081 uitgoot;6694 8799 Toen ik uitging3318 8800 naar de poort8179 door5921 de stad,7176 [toen] ik mijn stoel4186 op de straat7339 liet bereiden.3559 8686 De jongens5288 zagen7200 8804 mij, en verstaken zich,2244 8738 en de stokouden3453 rezen op6965 8804 [en] stonden.5975 8804 De oversten8269 hielden6113 de woorden4405 in,6113 8804 en leiden7760 8799 de hand3709 op hun mond.6310 De stem6963 der vorsten5057 verstak zich,2244 8738 en hun tong3956 kleefde1692 8804 aan hun gehemelte.2441 Als3588 een oor241 [mij] hoorde,8085 8804 zo hield het mij gelukzalig;833 8762 als [mij] een oog5869 zag,7200 8804 zo getuigde het5749 8686 van mij. Want3588 ik bevrijdde4422 8762 den ellendige,6041 die riep,7768 8764 en den wees,3490 die geen3808 helper5826 8802 had. De zegen1293 desgenen, die verloren ging,6 8802 kwam935 8799 op5921 mij; en het hart3820 der weduwe490 deed ik vrolijk zingen.7442 8686 Ik bekleedde mij3847 8804 met gerechtigheid,6664 en zij bekleedde3847 8799 mij; mijn oordeel4941 was als een mantel4598 en vorstelijke hoed.6797 Den blinden5787 was ik1961 8804 [tot] ogen,5869 en den kreupelen6455 was ik589 [tot] voeten.7272 Ik595 was den nooddruftigen34 een vader;1 en het geschil,7379 [dat] ik niet3808 wist,3045 8804 dat onderzocht ik.2713 8799 En ik verbrak7665 8762 de baktanden4973 des verkeerden,5767 en wierp7993 8686 den roof2964 uit4480 zijn tanden.8127 En ik zeide:559 8799 Ik zal in5983 mijn nest7064 den geest geven,1478 8799 en ik zal de dagen3117 vermenigvuldigen7235 8686 als het zand.2344 Mijn wortel8328 was uitgebreid6605 8803 aan413 het water,4325 en dauw2919 vernachtte3885 8799 op mijn tak.7105 Mijn heerlijkheid3519 was nieuw2319 bij5978 mij, en mijn boog7198 veranderde zich2498 8686 in mijn hand.3027 Zij hoorden mij aan,8085 8804 en wachtten,3176 8765 en zwegen1826 8799 op3926 mijn raad.6098 Na310 mijn woord1697 spraken zij8138 niet3808 weder,8138 8799 en mijn rede4405 drupte5197 8799 op5921 hen. Want zij wachtten3176 8765 naar mij, gelijk [naar] den regen,4306 en sperden6473 hun mond6310 open,6473 8804 [als] naar den spaden regen.4456 Lachte7832 ik hun413 toe,7832 8799 zij geloofden539 8686 het niet;3808 en het licht216 mijns aangezichts6440 deden zij niet3808 nedervallen.5307 8686 Verkoos ik977 8799 hun weg,1870 zo zat ik3427 8799 bovenaan,7218 en woonde7931 8799 als een koning4428 onder de benden,1416 als834 een, die treurigen57 vertroost.5162 8762

Every verse in Job 29

Chapter navigation

0:000:00