Job 38:25

“Wie518 deelt6385 voor den stortregen8585 een waterloop7858 uit,6385 8765 en een weg1870 voor het weerlicht2385 der donderen?6963”

Job 38:25 — Statenvertaling (1637)

Verse 25 of 41 in Job chapter 38 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Job 38 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Daarna antwoordde6030 8799 de HEERE3068 347 uit4480 een onweder,5591 en zeide:559 8799 Wie3410 is hij,2088 die den raad6098 verduistert2821 8688 met woorden4405 zonder1097 wetenschap?1847 Gord247 8798 nu,6258 als een man,1397 uw lenden,2504 zo zal Ik u vragen,7592 8799 en onderricht3045 8685 . Waar375 waart gij,1961 8804 toen Ik de aarde776 grondde?3245 8800 het te kennen,5046 8685 indien518 gij kloek3045 van verstand998 zijt.3045 8804 Wie4310 heeft haar maten4461 gezet,7760 8804 want3588 gij weet3045 8799 het; of176 wie4310 heeft over5921 haar een richtsnoer6957 getrokken?5186 8804 Waarop5921 4100 zijn haar grondvesten134 nedergezonken,2883 8717 of176 wie4310 heeft haar hoeksteen6438 68 gelegd?3384 8804 Toen de morgensterren1242 3556 te zamen3162 vrolijk zongen,7442 8800 en al3605 de kinderen1121 Gods430 juichten.7321 8686 Of [wie] heeft de zee3220 met deuren1817 toegesloten,5526 8686 toen zij uitbrak,1518 8800 [en] uit4480 de baarmoeder7358 voortkwam?3318 8799 Toen Ik de wolk6051 [tot] haar kleding3830 stelde,7760 8800 en de donkerheid6205 [tot] haar windeldoek;2854 Toen Ik voor5921 haar [met] besluit2706 [de] [aarde] doorbrak,7665 8799 en zette7760 8799 grendel1280 en deuren;1817 En zeide:559 8799 Tot5704 hiertoe6311 zult gij komen,935 8799 en niet3808 verder,3254 8686 en hier6311 zal hij zich stellen7896 8799 tegen den hoogmoed1347 uwer golven.1530 Hebt gij van4480 uw dagen3117 den morgenstond1242 geboden?6680 8765 gij den dageraad7837 zijn plaats4725 gewezen;3045 8765 Opdat hij de einden3671 der aarde776 vatten zou;270 8800 en de goddelozen7563 uit4480 haar uitgeschud zouden worden?5287 8735 Dat zij veranderd zou worden2015 8691 gelijk zegelleem,2563 2368 en zij gesteld worden3320 8691 als3644 een kleed?3830 En dat van4480 de goddelozen7563 hun licht216 geweerd worde,4513 8735 en de hoge7311 8802 arm2220 worde gebroken?7665 8735 Zijt gij gekomen935 8804 tot aan5704 de oorsprongen5033 der zee,3220 en hebt gij in het onderste2714 des afgronds8415 gewandeld?1980 8694 Zijn u de poorten8179 des doods4194 ontdekt,1540 8738 en hebt gij gezien7200 8799 de poorten8179 van de schaduw des doods?6757 Zijt gij met uw verstand gekomen995 8712 tot aan5704 de breedte7338 der aarde?776 het te kennen,5046 8685 indien518 gij dit alles3605 weet.3045 8804 Waar335 2088 is de weg,1870 [daar] het licht216 woont?7931 8799 En de duisternis,2822 waar335 2088 is haar plaats?4725 Dat3588 gij dat brengen zoudt3947 8799 tot413 zijn pale,1366 en dat3588 gij merken zoudt995 8799 de paden5410 zijns huizes?1004 Gij weet3045 8804 het, want3588 gij waart toen227 geboren,3205 8735 en uw dagen3117 zijn veel7227 in getal.4557 Zijt gij gekomen935 8804 tot413 de schatkameren214 der sneeuw,7950 en hebt gij de schatkameren214 des hagels1259 gezien?7200 8799 Dien834 Ik ophoude2820 8804 tot den tijd6256 der benauwdheid,6862 tot den dag3117 des strijds7128 en des oorlogs!4421 Waar335 2088 is de weg,1870 [daar] het licht216 verdeeld wordt,2505 8735 [en] de oostenwind6921 zich verstrooit6327 8686 op5921 de aarde?776 Wie518 deelt6385 voor den stortregen8585 een waterloop7858 uit,6385 8765 en een weg1870 voor het weerlicht2385 der donderen?6963 Om te regenen4305 8687 op5921 het land,776 [waar] niemand3808 376 is, [op] de woestijn,4057 waarin geen3808 mens120 is; Om het woeste7722 en het verwoeste4875 te verzadigen,7646 8687 en om het uitspruitsel4161 der grasscheutjes1877 te doen wassen.6779 8687 Heeft3426 de regen4306 een vader,1 of176 wie4310 baart3205 8689 de druppelen96 des dauws?2919 Uit4480 wiens4310 buik990 komt3318 het ijs7140 voort,3318 8804 en wie4310 baart3205 8804 den rijm3713 des hemels?8064 Als met een steen68 verbergen zich2244 8691 de wateren,4325 en het vlakke6440 des afgrond8415 wordt omvat.3920 8691 Kunt gij de liefelijkheden4575 van het Zevengesternte3598 binden,7194 8762 of176 de strengen4189 des Orions3685 losmaken?6605 8762 Kunt gij de Mazzaroth4216 voortbrengen3318 8686 op haar tijd,6256 en den Wagen5906 met5921 zijn kinderen1121 leiden?5148 8686 Weet gij3045 8804 de verordeningen2708 des hemels,8064 of518 kunt gij deszelfs heerschappij4896 op de aarde776 bestellen?7760 8799 Kunt gij uw stem6963 tot de wolken5645 opheffen,7311 8686 opdat een overvloed8229 van water4325 u bedekke?3680 8762 Kunt gij de bliksemen1300 uitlaten,7971 8762 dat zij henenvaren,3212 8799 en tot u zeggen:559 8799 ,2009 [hier] zijn wij? Wie4310 heeft de wijsheid2451 in het binnenste2910 gezet?7896 8804 Of176 wie4310 heeft den zin7907 het verstand998 gegeven?5414 8804 Wie4310 kan de wolken7834 met wijsheid2451 tellen,5608 8762 en wie4310 kan de flessen5035 des hemels8064 nederleggen?7901 8686 Als het stof6083 doorgoten is3332 8800 tot vastigheid,4165 en de kluiten7263 samenkleven?1692 8792 [039:1] gij voor den ouden leeuw3833 roof2964 jagen,6679 8799 of de graagheid2416 der jonge leeuwen3715 vervullen?4390 8762 [039:2] Als3588 zij nederbukken7817 8799 in de holen,4585 [en] in den kuil5521 zitten,3427 8799 ter3926 loering?695 [039:3] Wie4310 bereidt3559 8686 de raaf6158 haar kost,6718 als3588 haar jongen3206 tot413 God410 schreeuwen,7768 8762 [als] zij dwalen,8582 8799 omdat er geen1097 eten400 is?

Every verse in Job 38

Chapter navigation

0:000:00