Job 39:14
“[039:17] Dat3588 zij haar eieren1000 in de aarde776 laat,5800 8799 en in5921 het stof6083 die verwarmt.2552 8762”
Job 39:14 — Statenvertaling (1637)
Verse 14 of 30 in Job chapter 39 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Job 39 — full chapter (Statenvertaling (1637))
[039:4] gij3045 8804 den tijd6256 van het baren3205 8800 der steengeiten?3277 5553 gij waargenomen8104 8799 den arbeid2342 8790 der hinden?355 [039:5] gij de maanden3391 tellen,5608 8799 [die] zij vervullen,4390 8762 en weet gij3045 8804 den tijd6256 van haar baren?3205 8800 [039:6] zij zich krommen,3766 8799 haar jongen3206 met versplijting voortbrengen,6398 8762 haar smarten2256 uitwerpen?7971 8762 [039:7] jongen1121 worden kloek,2492 8799 worden groot7235 8799 door het koren;1250 zij gaan uit,3318 8804 en keren7725 niet3808 weder7725 8804 tot3926 dezelve. [039:8] Wie4310 heeft den woudezel6501 vrij2670 henengezonden,7971 8765 en wie4310 heeft de banden4147 des wilden ezels6171 gelost?6605 8765 [039:9] Dien834 Ik de wildernis6160 tot zijn huis1004 besteld heb,7760 8804 en het ziltige4420 tot zijn woningen.4908 [039:10] belacht7832 8799 het gewoel1995 der stad;7151 het menigerlei getier8663 des drijvers5065 8802 hoort hij8085 8799 niet.3808 [039:11] hij uitspeurt3491 op de bergen,2022 is zijn weide;4829 en hij zoekt1875 8799 allerlei3605 groensel3387 na.310 [039:12] de eenhoorn7214 u willen14 8799 dienen?5647 8800 518 hij vernachten3885 8799 aan5921 uw kribbe?18 [039:13] gij den eenhoorn7214 met zijn touw5688 aan de voren8525 binden?7194 8799 518 hij de laagten6010 achter310 u eggen?7702 8762 [039:14] gij op hem vertrouwen,982 8799 omdat3588 zijn kracht3581 groot7227 is, en zult gij uw arbeid3018 op413 hem laten?5800 8799 [039:15] gij hem geloven,539 8686 dat3588 hij uw zaad2233 zal wederbrengen,7725 8686 8675 7725 8799 en vergaderen622 8799 [tot] uw dorsvloer?1637 [039:16] [van] [u] de verheugelijke7443 vleugelen3671 der pauwen?5965 8738 Of518 de vederen84 des ooievaars,2624 en des struisvogels?5133 [039:17] Dat3588 zij haar eieren1000 in de aarde776 laat,5800 8799 en in5921 het stof6083 die verwarmt.2552 8762 [039:18] En vergeet,7911 8799 dat3588 de voet7272 die drukken kan,2115 8799 en de dieren2416 des velds7704 die vertrappen kunnen?1758 8799 [039:19] verhardt zich7188 8689 tegen haar jongen,1121 alsof zij de hare niet3808 waren; haar arbeid3018 is te vergeefs,7385 [omdat] zij zonder1097 vreze6343 is. [039:20] Want3588 God433 heeft haar van wijsheid2451 ontbloot,5382 8689 en heeft haar des verstands998 niet3808 medegedeeld.2505 8804 [039:21] het tijd6256 is, verheft zij zich4754 8686 in de hoogte;4791 zij belacht7832 8799 het paard5483 en zijn rijder.7392 8802 [039:22] gij het paard5483 sterkte1369 geven?5414 8799 gij zijn hals6677 met donder7483 bekleden?3847 8686 [039:23] gij het beroeren7493 8686 als een sprinkhaan?697 De pracht1935 van zijn gesnuif5170 is een verschrikking.367 [039:24] graaft2658 8799 in den grond,6010 en het is vrolijk7797 8799 in zijn kracht;3581 en trekt uit,3318 8799 den geharnaste5402 tegemoet.7125 8800 [039:25] belacht7832 8799 de vreze,6343 en wordt niet3808 ontsteld,2865 8735 en keert niet3808 wederom7725 8799 vanwege4480 6440 het zwaard.2719 [039:26] Tegen5921 hem ratelt7439 8799 de pijlkoker,827 het vlammig ijzer3851 des spies2595 en der lans.3591 [039:27] schudding7494 en beroering7267 slokt1572 het de aarde776 op,1572 8762 en gelooft539 8686 niet,3808 dat3588 het is het geluid6963 der bazuin.7782 [039:28] In het volle geklank1767 der bazuin,7782 zegt het:559 8799 !1889 en ruikt7306 8686 den krijg4421 van4480 verre,7350 den donder7482 der vorsten8269 en het gejuich.8643 [039:29] Vliegt82 8686 de sperwer5322 door4480 uw verstand,998 [en] breidt hij6566 zijn vleugelen3671 uit6566 8799 naar het zuiden?8486 [039:30]518 Is het naar5921 uw bevel,6310 dat de arend5404 zich omhoog verheft,1361 8686 en dat3588 hij zijn nest7064 in de hoogte maakt?7311 8686 [039:31] woont7931 8799 en vernacht3885 8698 in de steenrots,5553 op5921 de scherpte8127 der steenrots5553 en der vaste plaats.4686 [039:32] Van4480 daar8033 speurt hij2658 8804 de spijze400 op; zijn ogen5869 zien5027 8686 van4480 verre af.7350 [039:33] zuipen5966 8762 zijn jongen667 bloed;1818 en waar834 verslagenen2491 zijn, daar8033 is hij.1931