Job 7:3
“Alzo3651 zijn mij maanden3391 der ijdelheid7723 ten erve geworden,5157 8717 en nachten3915 der moeite5999 zijn mij voorbereid.4487 8765”
Job 7:3 — Statenvertaling (1637)
Verse 3 of 21 in Job chapter 7 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Job 7 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Heeft niet3808 de mens582 een strijd6635 op5921 de aarde,776 en zijn zijn dagen3117 niet als de dagen3117 des dagloners?7916 Gelijk de dienstknecht5650 hijgt7602 8799 naar de schaduw,6738 en gelijk de dagloner7916 verwacht6960 8762 zijn werkloon;6467 Alzo3651 zijn mij maanden3391 der ijdelheid7723 ten erve geworden,5157 8717 en nachten3915 der moeite5999 zijn mij voorbereid.4487 8765 Als518 ik te slapen lig,7901 8804 zeg ik:559 8804 Wanneer4970 zal ik opstaan,6965 8799 en den avond6153 afgemeten hebben?4059 En ik word zat7646 8804 van woelingen5076 tot aan5704 den schemertijd.5399 Mijn vlees1320 is met het gewormte7415 en met het gruis1487 des stofs6083 bekleed;3847 8804 mijn huid5785 is gekliefd7280 8804 en verachtelijk geworden.3988 8735 Mijn dagen3117 zijn lichter geweest7043 8804 4480 een weversspoel,708 en zijn vergaan3615 8799 zonder657 verwachting.8615 Gedenk,2142 8798 dat3588 mijn leven2416 een wind7307 is; mijn oog5869 zal niet3808 wederkomen,7725 8799 om het goede2896 te zien.7200 8800 Het oog5869 desgenen, die mij [nu] ziet,7210 zal mij niet3808 zien;7789 8799 uw ogen5869 zullen op mij zijn; maar ik zal niet [meer] zijn.369 Een wolk6051 vergaat3615 8804 en vaart henen;3212 8799 alzo3651 die in het graf7585 daalt,3381 8802 zal niet3808 [weder] opkomen.5927 8799 Hij zal niet3808 meer wederkeren7725 8799 tot zijn huis,1004 en zijn plaats4725 zal hem niet3808 meer5750 kennen.5234 8686 Zo zal ik589 ook1571 mijn mond6310 niet3808 wederhouden,2820 8799 ik zal spreken1696 8762 in benauwdheid6862 mijns geestes;7307 ik zal klagen7878 8799 in bitterheid4751 mijner ziel.5315 Ben ik589 een zee,3220 of518 walvis,8577 dat3588 om5921 mij wachten4929 zet?7760 8799 Wanneer3588 ik zeg:559 8804 bedstede6210 zal mij vertroosten,5162 8762 mijn leger4904 zal van4480 mijn klacht7879 [wat] wegnemen;5375 8799 ontzet Gij2865 8765 mij met dromen,2472 en door4480 gezichten2384 verschrikt Gij1204 8762 mij; Zodat mijn ziel5315 de verworging4267 kiest;977 8799 den dood4194 meer 4480 mijn beenderen.6106 Ik versmaad3988 8804 ze, ik zal toch in der eeuwigheid5769 niet3808 leven;2421 8799 houd op2308 8798 van4480 mij, want3588 mijn dagen3117 zijn ijdelheid.1892 Wat4100 is de mens,582 dat3588 hem groot acht,1431 8762 en dat3588 Uw hart3820 op413 hem zet?7896 8799 En dat hem bezoekt6485 8799 in elken morgenstond;1242 dat hem in elken ogenblik7281 beproeft?974 8799 Hoe lang4100 keert U8159 niet3808 af8159 8799 van4480 mij, [en] laat7503 niet3808 van mij af,7503 8686 totdat5704 ik mijn speeksel7536 inzwelge?1104 8800 Heb ik gezondigd,2398 8804 wat4100 zal ik U doen,6466 8799 o ?5341 8802 120 Waarom4100 hebt mij U tot een tegenloop4645 gesteld,7760 8804 dat ik mijzelven5921 tot een last4853 zij?1961 8799 En waarom4100 vergeeft Gij5375 8799 niet3808 mijn overtreding,6588 en doet5674 mijn ongerechtigheid5771 niet weg?5674 8686 Want3588 nu6258 zal ik in het stof6083 liggen;7901 8799 en zult mij vroeg zoeken,7836 8765 maar ik zal niet zijn.369