Joshua 9:2

“Zo vergaderden zij zich6908 8691 samen,3162 om tegen5973 Jozua3091 en tegen5973 Israel3478 te krijgen,3898 8736 eenmoediglijk.259 6310”

Joshua 9:2 — Statenvertaling (1637)

Verse 2 of 27 in Joshua chapter 9 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Joshua 9 — full chapter (Statenvertaling (1637))

En het geschiedde,1961 8799 toen [dit] hoorden8085 8800 al3605 de koningen,4428 die834 aan deze zijde5676 van de Jordaan3383 waren, op het gebergte,2022 en in de laagte,8219 en aan alle3605 havens2348 der grote1419 zee,3220 tegenover413 4136 den :3844 de ,2850 en de ,567 de ,3669 de ,6522 de ,2340 en de ;2983 Zo vergaderden zij zich6908 8691 samen,3162 om tegen5973 Jozua3091 en tegen5973 3478 te krijgen,3898 8736 eenmoediglijk.259 6310 Als de inwoners3427 8802 te 1391 hoorden,8085 8804 wat834 Jozua3091 met 3405 en met 5857 gedaan had,6213 8804 Zo handelden6213 8799 zij1992 ook1571 arglistiglijk,6195 en gingen heen,3212 8799 en veinsden zich gezanten te zijn,6737 8691 en zij namen3947 8799 oude1087 zakken8242 op hun ezels,2543 en oude1087 en gescheurde,1234 8794 en samengebonden6887 8794 lederen wijnzakken;3196 4997 Ook oude1087 en bevlekte2921 8794 schoenen5275 aan hun voeten,7272 en zij hadden5921 oude1087 klederen8008 aan,5921 en al3605 het brood,3899 dat zij op hun reize6718 hadden, was1961 8804 droog3001 8804 [en] beschimmeld.5350 En zij gingen3212 8799 tot413 Jozua3091 in413 het leger4264 te ,1537 en zij zeiden559 8799 tot413 hem en tot413 de mannen376 van :3478 zijn gekomen935 8804 uit4480 een ver7350 land,776 zo maakt3772 8798 nu6258 een verbond1285 met ons. Toen zeiden559 8799 de mannen376 van 3478 tot413 de :2340 Misschien194 woont3427 8802 gijlieden859 in het midden7130 van ons, hoe349 zullen wij een verbond1285 met u maken?3772 8799 Zij zeiden559 8799 tot413 :3091 Wij587 zijn uw knechten.5650 zeide559 8799 Jozua3091 tot413 hen: Wie4310 zijt gijlieden,859 en van4480 waar370 komt gij?935 8799 Zij nu zeiden559 8799 tot413 hem: Uw knechten5650 zijn uit4480 een zeer3966 ver7350 land776 gekomen,935 8804 om den Naam8034 des HEEREN,3068 uws ;430 want3588 wij hebben gerucht8089 gehoord,8085 8804 en alles3605 wat834 in Egypte4714 gedaan heeft;6213 8804 En alles3605 wat834 gedaan heeft6213 8804 aan de twee8147 koningen4428 der Amorieten567 die834 aan gene zijde5676 van de Jordaan3383 waren, Sihon,5511 den koning4428 van ,2809 en Og,5747 den koning4428 van ,1316 die834 te Astharoth6252 [woonde]. Daarom spraken559 8799 tot413 ons onze oudsten,2205 en al3605 de inwoners3427 8802 onzes lands,776 zeggende:559 8800 Neemt3947 8798 reiskost6720 met u in uw handen3027 op de reize,1870 en gaat3212 8798 hun tegemoet,7125 8800 en zegt559 8804 tot413 hen: Wij587 zijn ulieder knechten,5650 zo maakt3772 8798 nu6258 een verbond1285 met ons. Dit2088 ons brood3899 hebben wij warm2525 tot onzen teerkost6679 uit4480 onze huizen1004 genomen,6679 8694 ten dage,3117 toen wij uittogen3318 8800 om tot413 ulieden te reizen;3212 8800 maar ziet,2009 nu6258 is het droog,3001 8804 en het is1961 8804 beschimmeld;5350 En deze428 lederen wijnzakken,4997 3196 die834 wij gevuld hebben,4390 8765 waren nieuw,2319 maar ziet,2009 zij zijn gescheurd;1234 8694 en deze428 onze klederen,8008 en onze schoenen5275 zijn oud geworden,1086 8804 vanwege4480 deze zeer3966 lange7230 reis.1870 Toen namen3947 8799 de mannen582 van4480 hun reiskost;6718 en zij vraagden7592 8804 het den mond6310 des HEEREN3068 niet.3808 En Jozua3091 maakte6213 8799 vrede7965 met hen, en hij maakte3772 8799 een verbond1285 met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude;1961 8800 2421 8763 en de oversten5387 der vergadering5712 zwoeren7650 8735 hun. En het geschiedde1961 8799 ten4480 einde7097 van drie7969 dagen,3117 nadat310 834 zij het verbond1285 met hen gemaakt hadden,3772 8804 zo hoorden zij,8085 8799 dat3588 zij1992 hun413 naburen7138 waren, en dat zij1992 in het midden7130 van hen waren wonende.3427 8802 Want toen de kinderen1121 Israels3478 voorttogen,5265 8799 zo kwamen zij935 8799 ten derden7992 dage3117 aan413 hun steden;5892 hun steden5892 nu waren ,1391 en ,3716 en ,881 en -jearim.7157 En de kinderen1121 Israels3478 sloegen5221 8689 ze niet,3808 omdat3588 de oversten5387 der vergadering5712 hun gezworen hadden7650 8738 bij den HEERE,3068 den God430 ;3478 daarom murmureerde3885 8735 de ganse3605 vergadering5712 tegen5921 de oversten.5387 Toen zeiden559 8799 al3605 de oversten5387 tot413 de ganse3605 vergadering:5712 Wij587 hebben hun gezworen7650 8738 bij den HEERE,3068 den God430 ;3478 daarom6258 kunnen3201 8799 wij hen niet3808 aantasten.5060 8800 Dit2063 zullen wij hun doen,6213 8799 dat wij hen853 bij het leven behouden,2421 8687 opdat geen3808 grote toorn7110 over5921 ons zij,1961 8799 om5921 des eeds7621 wil, dien834 wij hun gezworen hebben.7650 8738 Verder zeiden559 8799 de oversten5387 tot413 hen: Laat hen leven,2421 8799 en laat ze houthouwers2404 8802 6086 en waterputters7579 8802 4325 zijn1961 8799 der ganse3605 vergadering,5712 gelijk834 de oversten5387 tot hen gezegd hebben.1696 8765 En Jozua3091 riep7121 8799 hen, en sprak1696 8762 tot413 hen, zeggende:559 8800 Waarom4100 hebt gijlieden ons853 bedrogen,7411 8765 zeggende:559 8800 Wij587 zijn zeer3966 verre7350 van4480 ulieden gezeten, daar gij859 in het midden7130 van ons zijt wonende?3427 8802 Nu ,6258 vervloekt zijt779 8803 gijlieden!859 en onder4480 ulieden zullen niet3808 afgesneden worden3772 8735 knechten,5650 noch houthouwers,2404 8802 6086 noch waterputters7579 8802 4325 ten huize1004 mijns .430 Zij antwoordden6030 8799 ,3091 en zeiden:559 8799 Dewijl3588 het aan uw knechten5650 zekerlijk5046 8715 was te kennen gegeven,5046 8717 dat834 de HEERE,3068 uw God,430 knecht5650 Mozes4872 geboden heeft,6680 8765 dat ulieden al3605 dit land776 geven,5414 8800 en al3605 de inwoners3427 8802 des lands776 voor4480 ulieder aangezicht6440 verdelgen zoude,8045 8687 zo vreesden wij3372 8799 onzes levens5315 zeer3966 voor4480 ulieder aangezichten;6440 daarom hebben wij deze2088 zaak1697 gedaan.6213 8799 En nu,6258 zie,2009 wij zijn in uw hand;3027 doe,6213 8798 gelijk het goed2896 en gelijk het recht3477 is in uw ogen5869 ons te doen.6213 8800 Zo deed hij6213 8799 hun alzo,3651 en hij verloste5337 8686 hen853 van4480 de hand3027 der kinderen1121 ,3478 dat zij hen niet3808 doodsloegen.2026 8804 Alzo gaf5414 8799 Jozua3091 hen over ten zelven1931 dage3117 tot houthouwers2404 8802 6086 en waterputters7579 8802 4325 der vergadering,5712 en dat tot het altaar4196 des HEEREN,3068 tot5704 dezen2088 dag3117 toe, aan413 de plaats,4725 die834 verkiezen zoude.977 8799

Every verse in Joshua 9

Chapter navigation

0:000:00