Judges 1:26

“Toen toog3212 8799 deze man376 in het land776 der Hethieten,2850 en hij bouwde1129 8799 een stad,5892 en noemde7121 8799 haar naam8034 Luz;3870 dit1931 is haar naam8034 tot op5704 dezen2088 dag.3117”

Judges 1:26 — Statenvertaling (1637)

Verse 26 of 36 in Judges chapter 1 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Judges 1 — full chapter (Statenvertaling (1637))

En het geschiedde1961 8799 na310 den dood4194 van ,3091 dat de kinderen1121 Israels3478 den HEERE3068 vraagden,7592 8799 zeggende:559 8800 Wie4310 zal onder ons het eerst8462 optrekken5927 8799 naar413 de ,3669 om tegen hen te krijgen?3898 8736 En de HEERE3068 zeide:559 8799 Juda3063 zal optrekken;5927 8799 ziet,2009 Ik heb dat land776 in zijn hand3027 gegeven.5414 8804 Toen zeide559 8799 Juda3063 tot zijn broeder251 :8095 Trek5927 met854 mij op5927 8798 in mijn ,1486 en laat ons tegen de Kanaanieten3669 krijgen,3898 8735 zo zal ik589 ook1571 met854 u optrekken1980 8804 in uw .1486 toog3212 8095 op3212 8799 met854 hem. En Juda3063 toog op,5927 8799 en de HEERE3068 gaf5414 8799 de Kanaanieten3669 en de Ferezieten6522 in hun hand;3027 en zij sloegen5221 8686 hen bij ,966 tien6235 duizend505 man.376 En zij vonden4672 8799 -bezek137 te ,966 en streden3898 8735 tegen hem; en zij sloegen5221 8686 de Kanaanieten3669 en de .6522 Doch -bezek137 vluchtte;5127 8799 en zij jaagden7291 8799 hem na,310 en zij grepen270 8799 hem, en hieuwen7112 de duimen931 zijner handen3027 en zijner voeten7272 af.7112 8762 Toen zeide559 8799 -bezek:137 Zeventig7657 koningen,4428 met afgehouwen7112 8794 duimen931 van hun handen3027 en van hun voeten,7272 waren1961 8804 onder8478 mijn tafel,7979 [de] [kruimen] oplezende;3950 8764 gelijk als834 ik gedaan heb,6213 8804 alzo3651 heeft mij God430 vergolden!7999 8765 En zij brachten935 8686 hem te ,3389 en hij stierf4191 8799 aldaar.8033 Want de kinderen1121 van Juda3063 hadden tegen Jeruzalem3389 gestreden,3898 8735 en hadden haar ingenomen,3920 8799 en met de scherpte6310 des zwaards2719 geslagen;5221 8686 en zij hadden de stad5892 in het vuur784 gezet.7971 8765 En daarna310 waren de kinderen1121 van Juda3063 afgetogen,3381 8804 om te krijgen3898 8736 tegen de ,3669 wonende3427 8802 in het gebergte,2022 en in het zuiden,5045 en in de laagte.8219 En Juda3063 was heengetogen3212 8799 tegen413 de ,3669 die te 2275 woonden3427 8802 (de naam8034 nu van 2275 was te voren6440 -arba7153), en zij sloegen5221 8686 ,8344 en ,289 en .8526 En van4480 daar8033 was hij heengetogen3212 8799 tegen413 de inwoners3427 8802 van ;1688 de naam8034 nu van Debir1688 was te voren6440 -sefer.7158 En Kaleb3612 zeide:559 8799 Wie834 -sefer7158 zal slaan,5221 8686 en haar innemen,3920 8804 dien zal ik ook mijn dochter1323 Achsa5915 tot een vrouw802 geven.5414 8804 Toen nam3920 Othniel6274 haar in,3920 8799 de zoon1121 van ,7073 broeder251 van ,3612 die jonger6996 was 4480 hij; en [] gaf5414 8799 hem ,5915 zijn dochter,1323 tot een vrouw.802 En het geschiedde,1961 8799 als zij [tot] [hem] kwam,935 8800 dat zij hem aanporde,5496 8686 om van4480 haar vader1 een veld7704 te begeren;7592 8800 en zij sprong6795 van4480 5921 den ezel2543 af;6795 8799 toen zeide559 8799 Kaleb3612 tot haar: Wat4100 is u? En zij zeide559 8799 tot hem: Geef3051 8798 mij een zegen;1293 dewijl3588 gij mij een dor5045 land776 gegeven hebt,5414 8804 geef5414 8804 mij ook waterwellingen.1543 4325 gaf5414 8799 Kaleb3612 haar hoge5942 wellingen1543 en lage8482 wellingen.1543 De kinderen1121 van den ,7017 den schoonvader2859 8802 van ,4872 togen5927 ook uit4480 de Palmstad5892 8558 8677 5899 op,5927 8804 met de kinderen1121 van ,3063 naar de woestijn4057 van ,3063 die834 tegen het zuiden5045 van Harad6166 is; en zij gingen heen3212 8799 en woonden3427 8799 met854 het volk.5971 Juda3063 toog3212 8799 met854 zijn broeder251 ,8095 en zij sloegen5221 8686 de ,3669 wonende3427 8802 te ,6857 en zij verbanden2763 8686 hen; en men noemde7121 8799 den naam8034 dezer stad5892 .2767 Daartoe nam3920 Juda3063 5804 in,3920 8799 met haar landpale,1366 en Askelon831 met haar landpale,1366 en 6138 met haar landpale.1366 En de HEERE3068 was1961 8799 met ,3063 dat hij [de] [inwoners] van het gebergte2022 verdreef;3423 8686 maar hij [ging] niet3808 [voort] om de inwoners3427 8802 des dals6010 te verdrijven,3423 8687 omdat3588 zij ijzeren1270 wagenen7393 hadden. En zij gaven5414 8799 2275 aan ,3612 gelijk als834 Mozes4872 gesproken had;1696 8765 en hij verdreef3423 8686 van4480 daar8033 de drie7969 zonen1121 van .6061 Doch de kinderen1121 van 1144 hebben de ,2983 te Jeruzalem3389 wonende,3427 8802 niet3808 verdreven;3423 8689 maar de Jebusieten2983 woonden3427 8799 met de kinderen1121 van 1144 te ,3389 tot5704 op dezen2088 dag.3117 En het huis1004 van Jozef3130 toog5927 ook1571 op5927 8799 naar -el.1008 En de HEERE3068 was met5973 hen. En het huis1004 van Jozef3130 bestelde verspieders8446 8686 bij -el;1008 de naam8034 nu dezer stad5892 was te voren6440 .3870 En de wachters8104 8802 zagen7200 8799 een man,376 uitgaande3318 8802 uit4480 de stad;5892 en zij zeiden559 8799 tot hem: Wijs7200 8685 ons toch4994 den ingang3996 der stad,5892 en wij zullen weldadigheid2617 bij5973 u doen.6213 8804 En als hij hun den ingang3996 der stad5892 gewezen had,7200 8686 zo sloegen zij5221 8686 de stad5892 met de scherpte6310 des zwaards;2719 maar dien man376 en zijn ganse3605 huis4940 lieten zij gaan.7971 8765 Toen toog3212 8799 deze man376 in het land776 der ,2850 en hij bouwde1129 8799 een stad,5892 en noemde7121 8799 haar naam8034 ;3870 dit1931 is haar naam8034 tot op5704 dezen2088 dag.3117 En Manasse4519 verdreef3423 8689 -sean1052 niet,3808 noch haar onderhorige plaatsen,1323 noch Thaanach8590 met haar onderhorige plaatsen,1323 noch de inwoners3427 8802 van Dor1756 met haar onderhorige plaatsen,1323 noch de inwoners3427 8802 van Jibleam2991 met haar onderhorige plaatsen,1323 noch de inwoners3427 8802 van 4023 met haar onderhorige plaatsen;1323 en de Kanaanieten3669 wilden2974 8686 wonen3427 8800 in hetzelve2063 land.776 En het geschiedde,1961 8799 als3588 3478 sterk werd,2388 8804 dat hij de Kanaanieten3669 op cijns4522 stelde;7760 8799 maar hij verdreef3423 8689 hen niet3808 ganselijk.3423 8687 Ook verdreef3423 8689 Efraim669 de Kanaanieten3669 niet,3808 die te 1507 woonden;3427 8802 maar de Kanaanieten3669 woonden3427 8799 in het midden7130 van hem te .1507 Zebulon2074 verdreef3423 8689 de inwoners3427 8802 van Kitron7003 niet,3808 noch de inwoners3427 8802 van ;5096 maar de Kanaanieten3669 woonden3427 8799 in het midden7130 van hem, en waren1961 8799 cijnsbaar.4522 Aser836 verdreef3423 8689 de inwoners3427 8802 van Acco5910 niet,3808 noch de inwoners3427 8802 van ,6721 noch ,303 noch ,392 noch ,2462 noch ,663 noch ;7340 Maar de Aserieten843 woonden3427 8799 in het midden7130 der ,3669 die in het land776 woonden;3427 8802 want3588 zij verdreven3423 8689 hen niet.3808 Nafthali5321 verdreef3423 8689 de inwoners3427 8802 van -semes1053 niet,3808 noch de inwoners3427 8802 van -anath,1043 maar woonde3427 8799 in het midden7130 der ,3669 die in het land776 woonden;3427 8802 doch de inwoners3427 8802 van -semes1053 en -anath1043 werden1961 8799 hun cijnsbaar.4522 En de Amorieten567 drongen3905 8799 de kinderen1121 van 1835 in het gebergte;2022 want3588 zij lieten5414 hun niet3808 toe,5414 8804 af te komen3381 8800 in het dal.6010 Ook wilden2974 8686 de Amorieten567 wonen3427 8800 op het gebergte2022 van ,2776 te ,357 en te ;8169 maar de hand3027 van het huis1004 van Jozef3130 werd zwaar,3513 8799 zodat zij cijnsbaar4522 werden.1961 8799 En de landpale1366 der Amorieten567 was van4480 den opgang4608 van ,4610 van4480 den rotssteen,5553 en opwaarts4605 heen.

Every verse in Judges 1

Chapter navigation

0:000:00