Leviticus 11:34

“Van alle spijze,400 die men eet,398 8735 waarop het water4325 zal gekomen zijn,935 8799 [die] zal onrein zijn;2930 8799 en alle drank,4945 die men drinkt,8354 8735 zal in alle vat3627 onrein zijn.2930 8799”

Leviticus 11:34 — Statenvertaling (1637)

Verse 34 of 47 in Leviticus chapter 11 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Leviticus 11 — full chapter (Statenvertaling (1637))

En de HEERE3068 sprak1696 8762 tot Mozes4872 en tot ,175 zeggende559 8800 tot hen: Spreekt1696 8761 tot de kinderen1121 ,3478 zeggende:559 8800 Dit2063 is het gedierte,2416 dat gij eten zult398 8799 uit alle beesten,929 die op de aarde776 zijn. Al wat onder de beesten929 den klauw6541 verdeelt,6536 8688 en de kloof der klauwen8157 in tweeen klieft,8156 8802 [en] herkauwt,5927 8688 1625 dat zult gij eten.398 8799 Deze nochtans389 zult gij niet eten,398 8799 van degenen, die [alleen] herkauwen,5927 8688 1625 of de klauwen6541 [alleen] verdelen:6536 8688 den kemel,1581 want hij herkauwt5927 8688 1625 wel, maar verdeelt6536 8688 den klauw6541 niet; die zal u onrein2931 zijn; En het konijntje,8227 want het herkauwt5927 8688 1625 wel, maar verdeelt6536 8686 den klauw6541 niet; dat zal u onrein2931 zijn; En den haas,768 want hij herkauwt5927 8688 1625 wel, maar verdeelt6536 8689 den klauw6541 niet; die zal u onrein2931 zijn. Ook het zwijn,2386 want dat verdeelt6536 8688 wel den klauw,6541 en klieft8156 8802 de klove der klauwen8157 in tweeen, maar herkauwt1641 8735 het gekauwde1625 niet; dat zal u onrein2931 zijn. Van hun vlees1320 zult gij niet eten,398 8799 en hun dood aas5038 niet aanroeren,5060 8799 zij zullen u onrein2931 zijn. Dit zult gij eten398 8799 van al wat in de wateren4325 is: al wat in de wateren,4325 in de zeeen3220 en in de rivieren,5158 vinnen5579 en schubben7193 heeft, dat zult gij eten;398 8799 Maar al wat in de zeeen3220 en in de rivieren,5158 van alle gewemel8318 der wateren,4325 en van alle levende2416 ziel,5315 die in de wateren4325 is, geen vinnen5579 of schubben7193 heeft, dat zal u een verfoeisel8263 zijn. Ja, een verfoeisel8263 zullen zij u zijn; van hun vlees1320 zult gij niet eten,398 8799 en hun dood aas5038 zult gij verfoeien.8262 8762 Al wat in de wateren4325 geen vinnen5579 en schubben7193 heeft, dat zal u een verfoeisel8263 zijn. En van4480 het gevogelte5775 zult gij deze verfoeien,8262 8762 zij zullen niet gegeten worden,398 8735 zij zullen een verfoeisel8263 zijn: de arend,5404 en de havik,6538 en de zeearend,5822 En de gier,1676 en de kraai,344 naar haar aard;4327 Alle rave6158 naar haar aard;4327 En de struis,1323 3284 en de nachtuil,8464 en de koekoek,7828 en de sperwer5322 naar zijn aard;4327 En de steenuil,3563 en het duikertje,7994 en de schuifuit,3244 En de kauw,8580 en de roerdomp,6893 en de pelikaan,7360 En de ooievaar,2624 de reiger601 naar zijn aard,4327 en de hop,1744 en de vledermuis.5847 Alle kruipend8318 gevogelte,5775 dat op vier702 [voeten] gaat,1980 8802 zal u een verfoeisel8263 zijn. Dit nochtans zult gij eten398 8799 van al het kruipend8318 gevogelte,5775 dat op vier702 [voeten] gaat,1980 8802 hetwelk boven aan4605 zijn voeten7272 schenkelen3767 heeft, om daarmede2004 op de aarde776 te springen;5425 8763 Van die zult gij deze eten:398 8799 den sprinkhaan697 naar zijn aard,4327 en den solham5556 naar zijn aard,4327 en den hargol2728 naar zijn aard,4327 en den hagab2284 naar zijn aard.4327 En alle kruipend8318 gevogelte,5775 dat vier702 voeten7272 heeft, zal u een verfoeisel8263 zijn. En aan deze zult gij verontreinigd worden;2930 8691 zo wie hun dood aas5038 zal aangeroerd hebben,5060 8802 zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 Zo wie van hun dood aas5038 gedragen zal hebben,5375 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Alle beest,929 dat den klauw6541 verdeelt,6536 8688 doch de klove8157 niet in tweeen klieft,8156 8802 en niet herkauwt,5927 8688 1625 zal u onrein2931 zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben,5060 8802 zal onrein zijn.2930 8799 En al3605 wat1992 op zijn poten3709 gaat1980 8802 onder alle gedierte,2416 op vier702 [voeten] gaande,1980 8802 die zullen u onrein2931 zijn; al wie hun dood aas5038 aangeroerd zal hebben,5060 8802 zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 Ook die hun dood aas5038 zal gedragen hebben,5375 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond;6153 zij zullen u onrein2931 zijn. Verder zal u dit onder het kruipend8318 gedierte, dat op de aarde776 kruipt,8317 8802 onrein2931 zijn: het wezeltje,2467 en de muis,5909 en de schildpad,6632 naar haar aard;4327 En de zwijnegel,604 en de krokodil,3581 en de hagedis,3911 en de slak,2546 en de mol;8580 Die zullen u onrein2931 zijn onder alle kruipend8318 gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben,5060 8802 als zij dood4194 zijn, zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 Daartoe al hetgeen, waarop [iets] van dezelve vallen zal,5307 8799 als zij dood4194 zijn, zal onrein zijn,2930 8799 [hetzij] van alle houten6086 vat,3627 of kleed,899 of vel,5785 of zak,8242 [of] alle vat,3627 waarmede [enig] werk4399 gedaan wordt;6213 8735 het zal in het water4325 gestoken worden,935 8714 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond;6153 daarna zal het rein zijn.2891 8804 En alle aarden2789 vat,3627 waarin8432 [iets] van dezelve zal gevallen zijn,5307 8799 al wat daarin is, zal onrein zijn,2930 8799 en gij zult dat breken.7665 8799 Van alle spijze,400 die men eet,398 8735 waarop het water4325 zal gekomen zijn,935 8799 [die] zal onrein zijn;2930 8799 en alle drank,4945 die men drinkt,8354 8735 zal in alle vat3627 onrein zijn.2930 8799 En waarop iets van hun dood aas5038 zal vallen,5307 8799 zal onrein zijn;2930 8799 de oven8574 en de aarden pan3600 zal verbroken worden;5422 8714 zij zijn onrein,2931 daarom zullen zij u onrein2931 zijn. Doch een fontein,4599 of 953 van vergadering4723 der wateren,4325 zal rein2889 zijn; maar wie hun dood aas5038 zal aangeroerd hebben,5060 8802 zal onrein zijn.2930 8799 En wanneer van hun dood aas5038 zal gevallen zijn5307 8799 op enig zaaibaar2221 zaad,2233 dat gezaaid wordt,2232 8735 dat zal rein2889 zijn. Maar als water4325 op het zaad2233 gedaan zal worden,5414 8714 en van hun dood aas5038 daarop zal gevallen zijn,5307 8804 dat zal u onrein2931 zijn. En wanneer van de dieren,929 die u tot spijze zijn,402 [iets] zal gestorven zijn,4191 8799 wie deszelfs dood aas5038 zal aangeroerd hebben,5060 8802 zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 Ook die van hun dood aas5038 gegeten zal hebben,398 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond;6153 en die hun dood aas5038 zal gedragen hebben,5375 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Voorts alle kruipend8318 gedierte, dat op de aarde776 kruipt,8317 8802 zal een verfoeisel8263 zijn; het zal niet gegeten worden.398 8735 Al wat op zijn buik1512 gaat,1980 8802 en al wat gaat1980 8802 op zijn vier702 [voeten], of al wat vele7235 voeten7272 heeft,7235 8688 onder alle kruipend8318 gedierte, dat op de aarde776 kruipt,8317 8802 die zult gij niet eten,398 8799 want zij zijn een verfoeisel.8263 Maakt8262 uw zielen5315 niet verfoeilijk8262 8762 aan enig kruipend gedierte,8318 dat kruipt;8317 8802 en verontreinigt u2933 8738 niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.2930 8691 Want Ik ben de HEERE,3068 uw God;430 daarom zult gij u heiligen,6942 8694 en heilig6918 zijn, dewijl Ik heilig6918 ben; en gij zult uw ziel5315 niet verontreinigen2930 8762 aan enig kruipend8318 gedierte, dat zich op de aarde776 roert.7430 8802 Want Ik ben de HEERE,3068 die u uit Egypteland776 4714 doe optrekken,5927 8688 opdat Ik u tot een God430 zij, en opdat gij heilig6918 zijt, dewijl Ik heilig6918 ben. Dit is de wet8451 van de beesten,929 en van het gevogelte,5775 en van alle levende2416 ziel,5315 die zich roert7430 8802 in de wateren,4325 en van alle ziel,5315 die kruipt8317 8802 op de aarde;776 Om te onderscheiden914 8687 tussen het onreine2931 en tussen het reine,2889 en tussen het gedierte,2416 dat men eten,398 8737 en tussen het gedierte,2416 dat men niet eten zal.398 8735

Every verse in Leviticus 11

Chapter navigation

0:000:00