Leviticus 15:16
“Verder een man,376 als van hem het zaad2233 des bijliggens7902 zal uitgegaan zijn,3318 8799 die zal zijn ganse vlees1320 met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153”
Leviticus 15:16 — Statenvertaling (1637)
Verse 16 of 33 in Leviticus chapter 15 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.
Leviticus 15 — full chapter (Statenvertaling (1637))
Verder sprak1696 8762 de HEERE3068 tot Mozes4872 en tot ,175 zeggende:559 8800 Spreekt1696 8761 tot de kinderen1121 ,3478 en zegt559 8804 tot hen: Een ieder376 man,376 als hij vloeiende zal zijn2100 8802 uit zijn vlees,1320 zal om zijn vloed2101 onrein2931 zijn. Dit nu zal zijn onreinigheid2932 om zijn vloed2101 zijn: zo zijn vlees1320 zijn vloed2101 uitzevert,7325 8804 of zijn vlees1320 van zijn vloed2101 zich verstopt,2856 8689 dat is zijn onreinigheid.2932 Alle leger,4904 waarop hij, die den vloed heeft,2100 8802 zal liggen,7901 8799 zal onrein zijn,2930 8799 en alle tuig,3627 waarop hij zal zitten,3427 8799 zal onrein zijn.2930 8799 Een ieder376 ook, die zijn leger4904 zal aanroeren,5060 8799 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en zal onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 En die op dat tuig3627 zit,3427 8802 waarop hij, die den vloed heeft,2100 8802 gezeten zal hebben,3427 8799 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en zal onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 En die het vlees1320 desgenen, die den vloed heeft,2100 8802 aanroert,5060 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Als ook hij, die den vloed heeft,2100 8802 op een reine2889 zal gespogen hebben,7556 8799 zal hij zijn klederen899 wassen,3526 8765 en zal zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Insgelijks alle zadel,4817 waarop hij, die den vloed heeft,2100 8802 zal gereden hebben,7392 8799 zal onrein zijn.2930 8799 En al wie iets aanroert,5060 8802 dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond;6153 en die hetzelve draagt,5375 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Daartoe een ieder, wien hij, die den vloed heeft,2100 8802 zal aangeroerd hebben,5060 8799 zonder zijn handen3027 met water4325 gespoeld te hebben,7857 8804 die zal zijn klederen899 wassen,3526 8765 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Ook het aarden2789 vat,3627 hetwelk hij, die den vloed heeft,2100 8802 zal aangeroerd hebben,5060 8799 zal gebroken worden;7665 8735 maar alle houten6086 vat3627 zal met water4325 gespoeld worden.7857 8735 Als hij nu, die den vloed heeft,2100 8802 van zijn vloed2101 gereinigd zal zijn,2891 8799 zo zal hij tot zijn reiniging2893 zeven7651 dagen3117 voor zich tellen,5608 8804 en zijn klederen899 wassen,3526 8765 en hij zal zijn vlees1320 met levend2416 water4325 baden,7364 8804 zo zal hij rein zijn.2891 8804 En op den achtsten8066 dag3117 zal hij voor zich twee8147 tortelduiven8449 of twee8147 jonge1121 duiven3123 nemen;3947 8799 en zal voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 aan de deur6607 van de tent168 der samenkomst4150 komen,935 8804 en zal ze den priester3548 geven.5414 8804 En de priester3548 zal die bereiden,6213 8804 een259 ten zondoffer,2403 en een259 ten brandoffer;5930 zo zal de priester3548 over hem voor het aangezicht6440 des HEEREN,3068 vanwege zijn vloed,2101 verzoening doen.3722 8765 Verder een man,376 als van hem het zaad2233 des bijliggens7902 zal uitgegaan zijn,3318 8799 die zal zijn ganse vlees1320 met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Ook alle kleed,899 en alle vel,5785 aan hetwelk het zaad2233 des bijliggens7902 wezen zal, dat zal met water4325 gewassen worden,3526 8795 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Mitsgaders de vrouw,802 als een man376 met het zaad2233 des bijliggens7902 bij haar gelegen zal hebben;7901 8799 daarom zullen zij zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Maar als een vrouw802 vloeiende zijn zal,2100 8802 zijnde haar vloed2101 van bloed1818 in haar vlees,1320 zo zal zij zeven7651 dagen3117 in haar afzondering zijn;5079 en al wie haar aanroert,5060 8802 zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 En al hetgeen, waarop zij in haar afzondering5079 zal gelegen hebben,7901 8799 zal onrein zijn;2930 8799 mitsgaders alles, waarop zij zal gezeten hebben,3427 8799 zal onrein zijn.2930 8799 En al wie haar leger4904 aanroert,5060 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Ook al wie enig tuig,3627 waarop zij gezeten zal hebben,3427 8799 aanroert,5060 8802 zal zijn klederen899 wassen,3526 8762 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Zelfs indien het op het leger4904 geweest zal zijn, of op het tuig,3627 waarop zij zat,3427 8802 als hij dat aanroerde,5060 8800 hij zal onrein zijn2930 8799 tot aan den avond.6153 Insgelijks zo iemand376 zekerlijk7901 8800 bij haar gelegen heeft,7901 8799 dat haar afzondering5079 op hem zij, zo zal hij zeven7651 dagen3117 onrein zijn;2930 8804 daartoe alle leger,4904 waarop hij zal gelegen hebben,7901 8799 zal onrein zijn.2930 8799 Wanneer ook een vrouw,802 vele7227 dagen3117 buiten3808 den tijd6256 harer afzondering,5079 van den vloed2101 haars bloeds1818 vloeien zal,2100 8799 of wanneer zij vloeien zal2100 8799 boven5921 hare afzondering,5079 zij zal al den dagen3117 van den vloed2101 harer onreinigheid,2932 als in de dagen3117 harer afzondering5079 onrein zijn.2931 Alle leger,4904 waarop zij al de dagen3117 haars vloeds2101 gelegen zal hebben,7901 8799 zal haar zijn als het leger4904 harer afzondering;5079 en alle tuig,3627 waarop zij zal gezeten hebben,3427 8799 zal onrein zijn,2931 naar de onreinigheid2932 harer afzondering.5079 En zo wie die dingen aanroert,5060 8802 zal onrein zijn;2930 8799 daarom zal hij zijn klederen899 wassen,3526 8765 en zich met water4325 baden,7364 8804 en onrein zijn2930 8804 tot aan den avond.6153 Maar als zij van haar vloed2101 rein wordt,2891 8804 zal zij voor zich zeven7651 dagen3117 tellen,5608 8804 daarna310 zal zij rein zijn.2891 8799 En op den achtsten8066 dag3117 zal zij voor zich twee8147 tortelduiven,8449 of twee8147 jonge1121 duiven3123 nemen,3947 8799 en zij zal die tot den priester3548 brengen,935 8689 aan de deur6607 van de tent168 der samenkomst.4150 zal de priester3548 een259 ten zondoffer2403 en een259 ten brandoffer5930 bereiden;6213 8804 en de priester3548 zal voor haar, van den vloed2101 harer onreinigheid,2932 verzoening doen3722 8765 voor het aangezicht6440 des HEEREN.3068 Alzo zult gij de kinderen1121 Israels3478 afzonderen5144 8689 van hun onreinigheid;2932 opdat zij in hun onreinigheid2932 niet sterven,4191 8799 als zij tabernakel,4908 die in het midden8432 van hen is, verontreinigen zouden.2930 8763 Dit is de wet8451 desgenen, die den vloed heeft,2100 8802 en van wien het zaad2233 der bijligging7902 uitgaat;3318 8799 zodat hij daardoor onrein wordt;2930 8800 Mitsgaders van een zwakke1739 vrouw in haar afzondering,5079 en van degene, die van zijn vloed2101 is vloeiende,2100 8802 voor een man,2145 en voor een vrouw;5347 en voor een man,376 die bij een onreine2931 zal gelegen hebben.7901 8799