Matthew 14:35

“En2532 als de mannen435 van die1565 plaats5117 Hem846 werden kennende,1921 5631 zonden zij649 5656 in1519 dat1565 gehele3650 omliggende land,4066 en2532 brachten4374 5656 tot Hem846 allen,3956 die kwalijk2560 gesteld waren;2192 5723”

Matthew 14:35 — Statenvertaling (1637)

Verse 35 of 36 in Matthew chapter 14 — Statenvertaling (1637). Read it in context below, with maps, timelines and thematic connections beside the text.

Matthew 14 — full chapter (Statenvertaling (1637))

Te1722 dierzelfder1565 tijd2540 hoorde191 5656 ,2264 de viervorst,5076 het gerucht189 van ;2424 En2532 zeide2036 5627 tot zijn846 knechten:3816 Deze3778 is2076 5748 Johannes2491 de ;910 hij846 is opgewekt1453 5681 van575 de doden,3498 en2532 daarom1223 5124 werken1754 5719 die krachten1411 in1722 .846 Want1063 Herodes2264 had Johannes2491 gevangen genomen,2902 5660 en hem846 gebonden,1210 5656 en2532 in1722 den kerker5438 gezet,5087 5639 om1223 '2266 wil, de huisvrouw1135 van ,5376 zijn846 broeder.80 Want1063 Johannes2491 zeide3004 5707 tot hem:846 is1832 u4671 niet3756 geoorloofd1832 5748 haar846 te hebben.2192 5721 En2532 willende2309 5723 hem846 doden,615 5658 vreesde hij5399 5675 het volk,3793 omdat3754 zij hem846 hielden2192 5707 voor5613 een profeet.4396 Maar1161 als de dag der geboorte1077 van Herodes2264 gehouden werd,71 5746 danste3738 5662 de dochter2364 van 2266 in1722 het midden3319 [van] [hen], en2532 zij behaagde700 5656 aan .2264 Waarom3606 hij haar846 met3326 ede3727 beloofde3670 5656 te geven,1325 5629 wat zij ook1437 zou eisen.154 5672 En1161 zij, te voren onderricht zijnde4264 5685 van5259 haar846 moeder,3384 zeide:5346 5748 Geef1325 5628 mij3427 hier5602 in1909 een schotel4094 het hoofd2776 van Johannes2491 den .910 En2532 de koning935 werd bedroefd;3076 5681 doch1161 om1223 de ,3727 en2532 degenen, die [met] [hem] aanzaten,4873 5740 gebood hij,2753 5656 dat het [haar] zou gegeven worden;1325 5683 En2532 zond heen,3992 5660 en onthoofdde607 5656 Johannes2491 in1722 den kerker.5438 En2532 zijn846 hoofd2776 werd gebracht5342 5681 in1909 een schotel,4094 en2532 het dochtertje2877 gegeven;1325 5681 en2532 zij droeg5342 5656 het [tot] haar846 moeder.3384 En2532 zijn846 discipelen3101 kwamen,4334 5631 en namen142 5656 het lichaam4983 weg, en2532 begroeven2290 5656 hetzelve;846 en2532 gingen2064 5631 en boodschapten518 5656 het .2424 En2532 [als] Jezus2424 [dit] hoorde,191 5660 vertrok Hij402 5656 van daar1564 te1722 scheep,4143 naar1519 een woeste2048 plaats5117 alleen;2596 2398 en2532 de scharen,3793 [dat] horende,191 5660 zijn Hem846 te voet3979 gevolgd190 5656 uit575 de steden.4172 En2532 Jezus2424 uitgaande,1831 5631 zag1492 5627 een grote4183 schare,3793 en2532 werd innerlijk met ontferming4697 over1909 hen846 bewogen,4697 5675 en2532 genas2323 5656 hun846 kranken.732 En1161 als het nu avond3798 werd,1096 5637 kwamen4334 5656 Zijn846 discipelen3101 tot ,846 zeggende:3004 5723 plaats5117 is2076 5748 woest,2048 en2532 de tijd5610 is nu2235 voorbijgegaan;3928 5627 laat630 de scharen3793 van U,630 5657 opdat2443 zij heengaan565 5631 in1519 de vlekken2968 en zichzelven1438 spijze1033 kopen.59 5661 Maar1161 Jezus2424 zeide2036 5627 tot hen: 846 is2192 5719 hun niet3756 van node5532 heen te gaan,565 5629 geeft1325 5628 gij5210 hun846 te eten.5315 5629 Doch1161 zij zeiden3004 5719 tot :846 hebben2192 5719 hier5602 niet,3756 1508 vijf4002 broden740 en2532 twee1417 vissen.2486 En1161 zeide: 2036 5627 Brengt5342 5720 Mij3427 dezelve846 hier.5602 En2532 beval2753 5660 de scharen3793 neder te zitten347 5683 op1909 het gras,5528 en2532 nam2983 5631 de vijf4002 broden740 en2532 de twee1417 vissen,2486 en opwaarts ziende308 5660 naar1519 den hemel,3772 zegende2127 5656 dezelve; en2532 als ze gebroken had,2806 5660 gaf Hij1325 5656 de broden740 den discipelen,3101 en1161 de discipelen3101 aan de scharen.3793 En2532 zij aten5315 5627 allen3956 en2532 werden verzadigd,5526 5681 en2532 zij namen op,142 5656 het overschot4052 5723 der brokken,2801 twaalf1427 volle4134 korven.2894 Die nu1161 gegeten hadden,2068 5723 waren2258 5713 omtrent5616 vijf duizend4000 mannen,435 zonder5565 de vrouwen1135 en2532 kinderen.3813 En2532 terstond2112 dwong315 5656 Jezus2424 Zijn846 discipelen3101 in1519 het schip4143 te gaan,1684 5629 en2532 voor Hem846 af te varen4254 5721 naar1519 de andere zijde,4008 terwijl2193 3739 de scharen3793 van zou laten.630 5661 En2532 als nu de scharen3793 van gelaten had,630 5660 klom Hij305 5627 op1519 den berg3735 alleen,2596 2398 om te bidden.4336 5664 En1161 als het nu avond3798 was geworden,1096 5637 zo was Hij2258 5713 daar1563 alleen.3441 En1161 het schip4143 was2258 5713 nu2235 midden3319 in de zee,2281 zijnde in nood928 5746 van5259 de baren;2949 want1063 de wind417 was2258 5713 [hun] tegen.1727 Maar1161 ter vierde5067 wake5438 des nachts3571 kwam565 Jezus2424 af565 5627 tot4314 hen,846 wandelende4043 5723 op1909 de zee.2281 En2532 de discipelen,3101 ziende1492 5631 Hem846 op1909 de zee2281 wandelen,4043 5723 werden ontroerd,5015 5681 zeggende:3004 5723 3754 is2076 5748 een spooksel!5326 En2532 zij schreeuwden2896 5656 van575 vreze.5401 Maar1161 terstond2112 sprak2980 5656 hen846 Jezus2424 aan, zeggende: 3004 5723 goedsmoeds,2293 5720 Ik1473 ben1510 5748 het, vreest5399 5737 niet.3361 En1161 Petrus4074 antwoordde611 5679 ,846 en zeide:2036 5627 !2962 indien1487 Gij4771 het zijt,1488 5748 zo gebied2753 5657 mij3165 tot4314 U4571 te komen2064 5629 op1909 het water.5204 En1161 zeide: 2036 5627 .2064 5628 En2532 Petrus4074 klom neder2597 5631 van575 het schip,4143 en wandelde4043 5656 op1909 het water,5204 om tot4314 Jezus2424 te komen.2064 5629 Maar1161 ziende991 5723 den sterken2478 wind,417 werd hij bevreesd,5399 5675 en2532 als hij begon756 5671 neder te zinken,2670 5745 riep hij,2896 5656 zeggende:3004 5723 ,2962 behoud4982 5657 mij!3165 En1161 ,2424 terstond2112 de hand5495 uitstekende,1614 5660 greep1949 5633 hem846 aan, en2532 zeide3004 5719 tot hem:846 kleingelovige!3640 waarom1519 5101 hebt gij gewankeld?1365 5656 En2532 als zij846 in1519 het schip4143 geklommen waren,1684 5631 stilde2869 5656 de wind.417 Die nu1161 in1722 het schip4143 [waren], kwamen2064 5631 en aanbaden4352 5656 ,846 zeggende:3004 5723 ,230 zijt1488 5748 Gods2316 !5207 En2532 overgevaren zijnde,1276 5660 kwamen zij2064 5627 in1519 het land1093 .1082 En2532 als de mannen435 van die1565 plaats5117 Hem846 werden kennende,1921 5631 zonden zij649 5656 in1519 dat1565 gehele3650 omliggende land,4066 en2532 brachten4374 5656 tot Hem846 allen,3956 die kwalijk2560 gesteld waren;2192 5723 En2532 baden3870 5707 ,846 dat2443 zij alleenlijk3440 den zoom2899 kleeds2440 zouden mogen aanraken;680 5672 en2532 zovelen als3745 [] aanraakten,680 5662 werden gezond.1295 5681

Every verse in Matthew 14

Chapter navigation

0:000:00